Mogen we nog lachen?

Minstens twee scholen hebben vrijdag een briefje meegegeven aan de kinderen met een verandering die er aan komt op 1 april. Twee van hen haalden de pers. In één school werd gevraagd dat leerlingen maandag zelf een WC-rol meenemen omdat er al lang wordt aangedrongen op zuinig omspringen met WC-papier, in het kader van ecologie, maatschappelijke- en sociale vorming, milieubewustzijn, … Kortom, een grappige manier om te zeggen dat niemand baat heeft bij verstopte toiletten.Een andere school vraagt de ouders dat de leerlingen maandag uniform gekleed gaan om pesterijen te voorkomen in een school waar pesterijen minimaal zijn, volgens de directeur en de krant.

Twee keer sluit de aprilgrap aan bij een edel doel en binnen de context van de school. Twee keer is er een lichte optilling van de realiteit, twee keer een goeie grap volgens mij. Twee keer een school waar ik met plezier naartoe zou gaan als moeder en mijn kinderen in vertrouwen achter laat, zeker op het vlak van zelfrelativering en humor.

Maar “Da mag niet!”, de moppen vallen slecht bij de ouders.

Scholen die grappen maken met de ouders zijn eerder zeldzaam maar als ze dat doen, getuigt dat van vertrouwen in de ouders, dat er een goeie band is of dat de school dit toch denkt.

Plagen is toch om liefde vragen en de beste therapie om een gepest kind te helpen, is een humortherapie. Het bestaat en het werkt want humor is een heel sterk wapen, in de liefde, in de vriendschap maar ook in de strijd tegen machogedrag.

In een tijd waarin ik mij blauw erger omdat wij, leerkrachten als ongeschikt, onbekwaam, kortom kneutjes bestempeld worden, lees ik dat er scholen en leerkrachten zijn met gezond gevoel voor humor. Respect!

Maar hoe ga je daar nu als school mee om?

Ik lees dat één van de scholen nog dezelfde dag een mail heeft gestuurd naar de ouders om te melden dat het om een grap gaat. En weg de humor, weg de kans om het verhaal een grappig eigen leven te laten leiden, weg de kans om op maandagmorgen een goed en grappig gesprek te hebben aan de schoolpoort en in de klas.

Blijkbaar zijn het niet alleen de kinderen die problemen hebben met begrijpend lezen en het interpreteren van de boodschap in een tekst, de vorige generatie had dat ook. Of zijn we allemaal zo verzuurd en intellectueel lui geworden? Willen we niet meer nadenken of iets als grap bedoeld is of niet?

En hoe moeten scholen die moeite en inspanningen doen om een goeie band te hebben met de ouders zich preventief indekken tegen dergelijke nieuwsberichten? Op de lange lijst met vragen naar leef-, eet-, studie- en andere gewoonten of de lijst met vragen rond het opleidingsniveau van de moeder en de thuistaal van de kinderen en de vragen over de gezinssamenstelling zullen scholen de vraag naar de openheid voor humor kunnen toevoegen. “Een grapje af en toe, kan dat?”

Misschien kan een visietekst rond het doel, het nut en de noodzaak van humor in een schoolcontext heel nuttig zijn? Niet doen! Het mag niet, dat is planlast en de minister is daar terecht tegen.

Hopelijk kunnen de leerkrachten van beide scholen nog lang navertellen over die supergrappige 1 ste april 2019, toen ze de nationale pers haalden. En blijf vooral positief, kritisch en vol humor want de meeste ouders en kinderen houden gelukkig niet van azijnpissers.

Morgen ga ik met plezier de kranten en de nieuwsberichten uitpluizen op zoek naar goeie grappen. Hopelijk verrassen onze bazen ons ook op 1 april. Stel dat wij morgen als supplement op de infodag over de nieuwe eindtermen secundair onderwijs, die gericht zijn op het sociaal en maatschappelijk weerbaar maken van leerlingen (toeval bestaat niet), ook verrast worden met een goeie aprilgrap? Hoe ontspannend zou dat zijn na een treinrit van twee en een half uur? Wedden dat de terugreis nog leuker wordt, dat we er veel plezier aan beleven met de collega’s over de provincies heen? Een betere en goedkopere teambuilding bestaat niet.  

Het is niet voor niets dat veel “slimste mensen” humoristen zijn. Blijkbaar moet je heel slim zijn om grappen te maken waar niemand zich aan stoort.  

Maak me morgen maar wakker als je een goeie aprilgrap hoort, I am into.

Poes en zijn voorwaarden

Vriend van iedereen die hem eten geeft.

Vandaag lees ik in de krant dat baasjes met plezier een fotoshoot betalen voor hun huisdier. Niet dat die hond of kat er iets aan heeft natuurlijk maar het baasje dan weer wel. Ook de column van vandaag, geschreven door Nico Dijkshoorn, gaat over katten. En stilaan moet iedereen die niet van katten houdt zich ergens niet normaal voelen want volgens dezelfde man staat het internet voor 97% vol met kattenfilms.

Dit weekend las ik zelfs in het Magazine Luxe van De Standaard dat de Chef van het Magazine, Stijn De Wolf, weelde associeert met soezen samen met poezen.

Dat alles maakt dat ik het beest dat nu lui naast mij op de bank ligt te slapen en af en toe een geluid produceert dat mij laat vermoeden dat het heel spannend is in zijn dromen, (nog) meer probeer te waarderen.

Hij kwam bij ons omdat onze dochter ons overtuigde dat een huisdier zorgt voor meer welbevinden. Ik bezweek omdat de kat een kronkeltje in zijn staart heeft en vooral omdat hij luid kan spinnen, ronken eigenlijk. Iets wat men mij ook verwijt en dat schept een band.

Ik woonde als kind op een boerderij. Katten kwamen niet binnen en dienden om muizen te vangen. Ook dat overtuigde mij om de kat in huis te nemen, liever een kat dan muizen.

Onze kat heet POES omdat hij op die roepnaam reageerde. Hij is vriend met iedereen onder zijn voorwaarden. Ga je daarop in, dan komt hij dagelijks op bezoek, nestelt zich in jouw zetel en neemt met graagte een maaltijd. Of hij nog langs komt als er geen maaltijd staat, betwijfel ik.
“Als je kat in andere huizen binnen gaat”, wist een vriendin, “krijgt hij daar eten”. Intussen werkt dat mechanisme bij een paar buren. Dat onze buurvrouw zelfs haar dochter de opdracht geeft om onze Poes te voederen terwijl zij in het ziekenhuis ligt, bewijst dat hij een graag geziene gast is in de straat.

Onze kat is een vriendelijke kat. Als hij ’s morgens binnen komt, kijkt hij ons aan, maakt een krakend geluid en loodst ons naar zijn eetbak. Wij vertalen dit ritueel als een frisse “Goeie morgen!”

Vriendelijkheid is nuttig. De overbuur kwam op een avond aan de deur en tot onze grote verwondering ging onze kat tegen zijn been wrijven en liet zich rustig aaien. Het was duidelijk, die twee kenden elkaar goed. Zo weten wij nu dat Poes ’s avonds in de plaats van muizen vangen en vossen op een afstand houden, rustig het huis van de overbuur binnen stapt en er op de bank gaat slapen, in onze verbeelding heel dicht bij een haard.

“Katten zijn er altijd, maar op hun voorwaarde”, schreef Stefan Hertmans. Zo kennen wij hem ook. Hij pakt altijd de beste plaats in, laat zich aaien als hij daar zin en heeft en geeft attenties als hij honger heeft, ligt stil als hij dat wil. Hij behandelt ons op een vertederende manier als zijn slaven. Ik vraag mij vaak af waarom wij hem zo graag hebben en wij dat dulden. Geen van zijn eigenschappen zou ik van een andere “man” tolereren. 😉

Die laatstejaarsreis

De laatstejaarsreis tijdens de paasvakantie

Aan een tafeltje op de Piazza Pitti in Firenze, zaten ze gezellig te keuvelen over hun toekomstplannen, vier jongens. Op de tafel staan vier lege potjes van gelati en een grote lege fles acqua. Wij willen dit toffe gesprek niet onderbreken door te verraden dat wij Vlamingen zijn. Zij hebben ons door en  komen vriendelijk een goeiedag zeggen. ‘Op laatstejaarsreis?’ ‘Wat bezochten jullie al?’

In hun verhaal horen we de vreugde van het afstuderen in het secundair onderwijs en de roep naar meer eigen interesses in hun studies. We merken  ook de heimwee naar de veiligheid die hun ‘groepje’ hen gaf. Een gevoel dat ik ook mocht ervaren, eenenveertig jaar geleden in de paasvakantie tijdens onze Italiëreis. Alsof het gisteren was.

‘Toffe jongens’ zei mijn vriendin. ‘Plichtsbewuste, brave jongens!’, dacht ik.  

De laatstejaarsreis

Zouden ze nu nog op die kunstwerken mogen kruipen om een foto te maken? Ik vrees het.

Voor mij (en onze kinderen) was  onze laatstejaarsreis iets fantastisch. Het was de eerste keer dat ik mocht vliegen. Wij bezochten Sicilië.
Onze zelfgemaakte reisgids uit 1978 ging mee naar Sicilïe, toen we het eiland een paar jaar gelden nog eens bezochten. Sicilië is de bakermat van Europa, een smeltkroes van culturen. Dat weet ik nog want wij maakten onze reisgids zelf en het was onze examenstof voor het vak esthetica.  De reisgids van de oudste kinderen gaat nog mee, telkens we een door hen bezochte stad bezoeken in ons favoriete land Italië.

De laatstejaarsreis, daar zagen wij jaren op voorhand naar uit. Dat was ook nodig. Naast het voorbereidingswerk voor de gidsbeurten die we zelf moesten doen,  organiseerden wij verschillende activiteiten om die reis te betalen. We maakten reclameboekjes bij een  filmvoorstelling, organiseerden een “kleinkunstavond” en  een fuif. Omdat we nog niet toekwamen, hebben we ook een paar weekends auto’s gewassen.

Wie gaat dat betalen? Wie heeft zoveel geld?

In de manier waarop die laatstejaarsreis betaald wordt, is er een groot verschil tussen scholen. Soms krijgen de ouders gewoon de rekening. Dit heeft tot gevolg, zo mochten we thuis ook ervaren, dat niet iedereen mee gaat omdat sommige ouders dit budget niet kunnen ophoesten.

Onze jongste dochter had het grote geluk in een school te zitten waar heel sterk gelet wordt op democratische prijzen en waar iedereen de kans krijgt om mee te gaan, net als bij ons. De leerlingen koken soep om te verkopen, poetsen zelf klassen, geven  een groot optreden met eigen gezang en dans. Ouders werken samen om de genodigden te voorzien van een heerlijke maaltijd .

Anna, onze jongste, wou vrijwilligerswerk doen in het buitenland als basis voor haar eindwerk. Toen ze haar project en haar doelstellingen voorstelde, vroeg de directeur wie haar reis zou betalen. Wat één leerling kiest als eindwerk moet iedereen kunnen kiezen zonder financiële beperkingen. Ze heeft gepoetst, opgediend op feesten en in cafés en nam thuis de poetsbeurten van de poetsvrouw over. Ze heeft met plezier zelf haar reis betaald. 

Jong geleerd, is oud gedaan

Een zelfde verhaal horen we in een zesde leerjaar van een basisschool. De leerlingen willen een pretpark bezoeken maar de maximumfactuur is overschreden. De klas maakt er een tof project van. Leerlingen mailen, onderhandelen en verzamelen prijzen. Gaan  op zoek naar het goedkoopste vervoermiddel en brainstormen over acties om het geld zelf in te zamelen. Het resultaat is een uitstap waar iedereen kan aan deelnemen. De weg naar het pretpark is zoveel rijker dan een busrit. Ze leren een budget beheren, prijzen kennen, zich inzetten voor een doel,  voor elkaar opkomen,  samen werken. De leerlingen vertellen fier tijdens het leerlingengesprek  dat zij daar zelf voor spaarden en de maximumfactuur niet overschreden. 

Nieuwe eindtermen secundair onderwijs

In de nieuwe eindtermen van de eerste graad secundair onderwijs staat dat leerlingen op school financiële en economische competenties moeten leren. Wij mochten deze competentie lang geleden al leren op school.

Eindtermen financiële en economische competenties secundair onderwijs
De hele groep in 1978

 

Gingers unite

Meer kleur in de doffe wereld

Smelt smelt …

Hij liep te voetballen met zijn klasgenoten in zijn spiksplinternieuw pakje van onze nationale ploeg. We bekeken het tafereel met enkele vrouwen van op een afstand. ‘Kijk daar, mijn rode duivel”, zei ik heel spontaan en bijzonder fier. Plots merkte ik dat er een zekere verontwaardiging was omdat ik mijn kind met rood haar, een rode duivel noemde. Ik keek verwonderd want ik zei het zoals elke andere moeder haar kind, helemaal in het rood, zou noemen. Een oudere dame vond de situatie gênant en zei: “Je mag al blij zijn dat hij geen groen haar heeft.” Mijn verbazing bleef stijgen. Dwaas? Dom? Grappig?

Dit gebeurde meer dan 30 jaar geleden toen in de meeste scholen enkel blanke leerlingen school liepen, toen er nog weinig kinderen van vreemde origine waren, toen er nog geen M-decreet was en onze maatschappij niet zo divers was als nu.

Op kraambezoek met mijn zoontje, zag ik triestheid. Het verdriet ging over het roodharig kind dat in zijn wiegje lag. Een perfect gezond kind. Dat ging mijn verstand te boven en raakte mij heel diep. Ik heb mijn ventje nog eens heel goed vastgepakt.  

In mijn kindertijd heb ik het versje “Roste wat moet het koste om achter mijn kiekens te crosse…” horen scanderen, ook tegen mij omdat ik een rosse schijn in mijn haar had. De vrees dat roodharige kinderen gepest zouden worden, zat en zit er bij sommige ouders en grootouders in.

Het is totaal onterecht om dat pesten enkel aan het rode haar te wijten. Wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. Daarom moeten we alle kinderen weerbaar maken want iedereen heeft wel iets waar iemand grappen kan over maken. Maar niet alle grappen zijn kwaad bedoeld, dat moeten we ook voor ogen blijven houden.  

Roodharigen zijn zeldzaam net als kinderen die uitzonderlijk groot zijn, uitzonderlijk verstandig en kinderen die van een ander land of zelfs dorp afkomstig zijn. In kinderboeken zijn de roodharigen vaak de grappigste, de deugnieten, de kapoenen. Als het grappig bedoeld is, kan dat gerust maar laat andere haarkleuren ook eens die rol spelen.

In januari was ik vertederd toen de roodharige prins Harry een meisje kuste dat met een plakkaat in haar hand zijn aandacht trok “Gingers unite!” Hij gaf het vierjarig meisje een dikke knuffel.

Gisteren smolt mijn hart bij de foto van een neefje met heel mooie krullen. Rode krullen. Maar vandaag zag ik het bericht van een trieste en boze moeder  verschijnen op facebook.



Dit is niet fijn! Mag ik een warme oproep lanceren: “Gingers unite om bange en dwaze mensen op te roepen eindelijk eens NORMAAL te doen!” En breng vooral veel kleur in de wereld.

Eenzaam op deze reis

Kind zonder toekomst, opgejaagd door geweld

Kind, angst en chaos hebben je groei versneld

Kind zie de tranen over het gezicht van je moeder, de vrouw

Kind, nu niet wenen, zoek naar hoop, zonder berouw

 

Liefde, ijle gang tussen aarde en lucht

Liefde, als steun bij iedere zucht

Liefde is zorgen, oneindig als bron

Liefde was geven zo lang zij het kon

Jij was de zon, het vuur, altijd trouw

 

Jij was een meisje maar nu vroegtijdig vrouw

Jij, zoekend naar vrijheid, naar leven, naar licht

Jij had je glimlach, je lied, je gedicht

 

Moeder, mijn houvast, mijn vreugde, mijn kinderplezier

Moeder, ver van jou zoek ik houvast en een plekje alhier

Moeder, jouw wereld, zonder kind, zwart en grijs

Moeder, jouw volharding maakte eenzaam

Jij bleef thuis, ik ga door op deze reis

Op weg… op zoek …

Er zijn weer veel zwarte schaapjes geboren

Over loverboys en politiekers die over de partijgrenzen samenwerken

Zwarte lammetjes



Het is lente en in mijn buurt zijn veel zwarte schaapjes geboren. Dat merkte ik toen ik deze morgen door mijn straat fietste. Mijn gedachten gingen naar de “zwarte schapen” die ik gisteren zag op tv. Ik las het. PANO zou over tienerpooiers een reportage maken. En we weten dat die panoreportages er diep inbeuken. Ik nam de reportage op maar wou het kijken toch nog uitstellen. Niet nu, niet vlak voor het slapengaan, niet na een drukke en lange dag. Ik wou het ergens niet weten, denkend aan onze dochters en dochters van vriendinnen en vriendinnen van … die allemaal gelukkig gespaard bleven van de manipulatie van malafide jonge mannen.

Ik zapte in mijn uitstelgedrag nog eens naar De Afspraak op Canvas. John Crombez en Zuhal Demir zitten zij aan zij en praten samen over de reportage en het onderwerp. Twee politiekers die over de partijgrenzen heen initiatieven ontwikkelen om jonge meisjes op te vangen, om het probleem onder de aandacht te brengen, om alle anderen te waarschuwen dat bepaalde jongens enkel slechtste bedoelingen hebben met hen. Ze toonden meisjes die na pesterijen, een onstabiele thuis, verschillende instellingen en adressen of een leven op straat, iemand vinden die hen de hemel belooft en voor wie ze uiteindelijk niets meer zijn dan geldgewin. Maar ze zijn verliefd, ze willen hun liefje niet kwijt, ze hebben er veel voor over, ze werden in een trechter geduwd waar ze niet zomaar uit komen na zoveel bedrog en emotionele chantage. En waar hun thuis moet zijn, zijn de bruggen vaak verbrand. Hun zelfbeeld is kapot, ze hebben hulp nodig zodat ze niet terug keren naar het milieu dat hen belaagt.

Elk jaar zijn er 24 meldingen van dergelijke misdaden door loverboys, hoog tijd dat er wordt ingegrepen, ook politiek.

Ik zag in De Afspraak twee politiekers die aan eenzelfde zeel trekken, eenzelfde doel hebben, elkaar steunen in voorstellen en initiatieven omdat er een nood is die moet verholpen worden.
Ze proberen elk om hun terrein iets op gang te brengen om loverboys te stoppen, tieneruitbuiting te voorkomen en die meisjes alsnog een gelukkig leven te geven.

Mag ik de hoop uitspreken dat onze politiekers in de aanloop van de volgende verkiezingen en nog ver daarna diezelfde opbouwende houding aannemen? Mag ik hopen op meer opbouwende politieke gesprekken op tv, zodat ik niet langer geneigd ben om weg te zappen, soms uit plaatsvervangende schaamte? En mogen wij in de toekomst nog meer van dit; mensen die samen werken en denken om de “zwarte” schapen van onze maatschappij te beschermen, uit te dagen tot een zinvol leven en groeikansen te geven?

Dat zou nu eens echt een nieuwe lente zijn en een nieuw begin.

“Heb je er zin in?”

Neen, ik had er even geen zin in !

Of ik er zin in had, vroeg de vriendelijke dame met een glimlach achter de balie van de fitness. De meeste sporters hebben er meestal zin in. Dus op het eerste zicht is dit een onschuldige, een retorische vraag waar je “ja”, een knikje of zelfs geen antwoord op verwacht. Als je die vraagt krijgt op een normale, doorsnee zaterdagvoormiddag, voor je rustig kan gaan sporten om daarna een heerlijke douche te nemen om het weekend te starten, geef je toch als antwoord: ” Ja, ik heb er echt zin in, ik ben er voor opgestaan, ik kijk er al twee dagen naar uit, fantastisch dat ik hier kan zijn en mag zijn, ik hou meer van mezelf als ik in het zweet sta, …” ?

Niet bij mij, niet zaterdag. De reden zal ik iedereen onthouden maar Murphy vond en vindt mij de laatste dagen en doet zijn werk grondig. Hij zet zelfs door. De volgende dag zat mijn tram meer dan een uur vast in het zand. Had ik op de juiste trein gezeten, ik had een tram vroeger kunnen nemen, vlak voor de zandstorm. Dit tussendoor.

Bij mij gaf “Heb je er zin in?” kortsluiting. Ik had er geen zin in. Ik was liever met mijn luie kont op de bank gaan hangen, de weekendkrant van HLN gelezen, wat foute muziek beluisterd. Neen, ik had geen zin om mij een uur af te beulen en ik zou mij moeten haasten want ik moest nog koken en had nog verplichtingen voor de noen.

Gelukkig houden mijn alerte hersencellen mijn impulsen onder controle want ik ben iemand die meestal heel spontaan reageert. “Ik zal er zin in krijgen”, zei ik bedacht nadat mijn ratio het overnam van mijn emoties. Maar ik vrees dat mijn non-verbale communicatie niet matchte met mijn antwoord.

Neen, zaterdag was een verplicht nummertje. Mijn aangeboren koppigheid- eerlijk gezegd, ik hebt die nodig – commandeert mij om minstens twee keer per week naar de fitness te gaan. Als ik het sporten te vrijblijvend opneem, kom ik er zelfs niet elke week want spontaan sporten is niet echt mijn ding. Ik doe dit omdat het moet op mijn leeftijd en omdat ik mij altijd beter voel, achteraf.

Ik had schuldgevoelens tegenover de balieassistente want ik weet dat vriendelijk blijven in alle omstandigheden moeite kost.  Doorgaans ben ik een positief iemand die een ander niet vlug zal overladen met mijn eigen negatieve emoties. Ik werd al afgevallen omdat ik te positief ben, omdat ik het beste in een situatie bleef zien, omdat ik dingen en mensen verdedigde die een ander al lang afschreef. “Naïef” noemen sommigen dat.

 Doorgaans die ik ook moeite om vriendelijk en attent te zijn. Ik geloof dat ik terug krijg wat ik uitstraal, zonder dat een bewijs of tegenbewijs nodig is. Dat is mijn positieve zelfbehoudende ingesteldheid, waar ik mijn voordeel uit haal.

Op een verplicht seminarie waar ik meer ongelukkige dan gelukkige mensen mocht ontmoeten, kreeg ik de schampere opmerking dat ik altijd met de glimlach op mijn gezicht liep. Maar ik voelde mij daar goed! Ik had in de kamer de afstandsbediening voor mij alleen, had goed en alleen geslapen, werd die nacht niet gestoord door een kind dat niet kon slapen, het bed werd voor mijn opgemaakt, het ontbijt geserveerd en ik moest geen files trotseren. Hoe cool is dat? Mensen die deze privilegies jaar in jaar uit krijgen, kunnen dat niet begrijpen.

Elke dag heeft wel een reden om een glimlach op je gezicht te toveren.  

Vriendelijk-zijn kan voor klagers een vorm van pesten zijn. Een glimlach en een positieve opmerking is niet wat zij verwachten. Zij willen gesteund en bevestigd worden in zijn negativiteit.

Ik probeerde te genieten van het sporten, de vraag “Heb je er zin in?” bracht een mindshift teweeg.  In het naar buiten gaan lachte ik naar de balieassistentie en zei ik haar dat het deugd gedaan had, om iets goed te maken. En ik meende het nog ook.  

Woensdag ben ik niet thuis!

Kennissen, buren, familie en oude vrienden vinden elkaar onder de kerktoren, tussen de kramen. Ze vertellen over lief maar vooral over leed. In de kerk branden kaarsen, een teken van hoop. Marktdag is de remedie tegen eenzaamheid. Mensen komen buiten, ontmoeten elkaar, de groenten en de vis zijn vers.
Genoeg gepraat, de keel staat droog. Café’s puilen uit van het volk. De klagers vinden hun vrienden en lachsalvo’s klinken alom. Geladen met nieuws, echt en fake keert ieder naar huis, net voor de noen. Ze kunnen er weer een week tegen, thuis. Aftellend naar volgende woensdag.

Woensdag marktdag


Bij ons, in Brakel is het markt op woensdag. Gewoon een reden, voor veel Brakelaars om ondanks regen, wind en hagel buiten de komen en vis te kopen.

Ik had precies één uur om mij nuttig bezig te houden, terwijl mijn auto in de garage was voor een  groot onderhoud. De bibliotheek was nog niet open, naar de markt dan maar. Voor mij is het altijd een plezant thuis – komen in Brakel, waar ik al heel mijn leven woon en waar ik meer dan 10 jaar les gaf in de lagere school. Door mijn huidig beroep zit een marktdag er nog zelden in. Ouders, grootouders, kennissen, buren spreken mij aan, en ik hen.

Het eerste wat mij opvalt, is het vele lijden waar mensen onder gebukt gaan en er graag over vertellen. De dochter is gescheiden, de zus is ziek, de moeder dementerend… Dingen des levens waar we allemaal mee geconfronteerd worden. Maar we komen naar de markt, we komen buiten, we zien al eens iemand, de groenten zijn vers en de visboer komt rechtstreeks van de zee.  

De markt is de plaats waar mensen naar mijn mama vragen. Ze is intussen 85 en ontziet zich om nog naar de markt te gaan. Net als ik praat ze met iedereen en tovert ze graag een glimlach op haar gezicht.

In de kerk, waar je op zondag de mensen kan tellen, staan op woensdag heel veel kaarsen te branden. Commercieel gezien een topdag voor de parochie maar ook een bewijs dat de aarde een tranendal is EN dat mensen hoopvol zijn.  

Volgens my pension kan ik in 2021 met pensioen. Ik praat met mensen die net of al heel lang geleden die stap zetten en ze kunnen het me allemaal aanraden. Op de markt is zelfs de oplossing voor een dilemma te vinden. Ik hou van mijn werk maar ik besef dat ik veel mis. De markt op woensdag bij voorbeeld.

Even later besluiten een jeugdvriend en ik om bij te praten bij een tas koffie. De cafés zitten barstensvol. We vinden gelukkig nog een plaatsje. En wie komt daar binnen? De vele vrouwen die een half uur vroeger over hun tegenslagen vertelden, hebben hun wekelijkse afspraken gevonden. Lachend komen ze binnen en rondom ons weerklinken lachsalvo’s.  

Over het feit dat mijn tafelgenoot en ik samen op stap zijn, worden grappen gemaakt, iets wat mijn jeugdvriend gretig uitlokt en ik niet tegenspreek.

Woensdag marktdag is niet alleen de visdag maar de dag van de ontsnapping. Met een koffie of een goed biertje worden de zorgen van de voorbije week doorgespoeld en de nieuwe nieuwsjes, waar of fake verspreid.

Tevreden gaan ze naar huis, op tijd voor het noeneten. Ze kunnen er weer een week tegenaan.