Mogen we nog lachen?

Minstens twee scholen hebben vrijdag een briefje meegegeven aan de kinderen met een verandering die er aan komt op 1 april. Twee van hen haalden de pers. In één school werd gevraagd dat leerlingen maandag zelf een WC-rol meenemen omdat er al lang wordt aangedrongen op zuinig omspringen met WC-papier, in het kader van ecologie, maatschappelijke- en sociale vorming, milieubewustzijn, … Kortom, een grappige manier om te zeggen dat niemand baat heeft bij verstopte toiletten.Een andere school vraagt de ouders dat de leerlingen maandag uniform gekleed gaan om pesterijen te voorkomen in een school waar pesterijen minimaal zijn, volgens de directeur en de krant.

Twee keer sluit de aprilgrap aan bij een edel doel en binnen de context van de school. Twee keer is er een lichte optilling van de realiteit, twee keer een goeie grap volgens mij. Twee keer een school waar ik met plezier naartoe zou gaan als moeder en mijn kinderen in vertrouwen achter laat, zeker op het vlak van zelfrelativering en humor.

Maar “Da mag niet!”, de moppen vallen slecht bij de ouders.

Scholen die grappen maken met de ouders zijn eerder zeldzaam maar als ze dat doen, getuigt dat van vertrouwen in de ouders, dat er een goeie band is of dat de school dit toch denkt.

Plagen is toch om liefde vragen en de beste therapie om een gepest kind te helpen, is een humortherapie. Het bestaat en het werkt want humor is een heel sterk wapen, in de liefde, in de vriendschap maar ook in de strijd tegen machogedrag.

In een tijd waarin ik mij blauw erger omdat wij, leerkrachten als ongeschikt, onbekwaam, kortom kneutjes bestempeld worden, lees ik dat er scholen en leerkrachten zijn met gezond gevoel voor humor. Respect!

Maar hoe ga je daar nu als school mee om?

Ik lees dat één van de scholen nog dezelfde dag een mail heeft gestuurd naar de ouders om te melden dat het om een grap gaat. En weg de humor, weg de kans om het verhaal een grappig eigen leven te laten leiden, weg de kans om op maandagmorgen een goed en grappig gesprek te hebben aan de schoolpoort en in de klas.

Blijkbaar zijn het niet alleen de kinderen die problemen hebben met begrijpend lezen en het interpreteren van de boodschap in een tekst, de vorige generatie had dat ook. Of zijn we allemaal zo verzuurd en intellectueel lui geworden? Willen we niet meer nadenken of iets als grap bedoeld is of niet?

En hoe moeten scholen die moeite en inspanningen doen om een goeie band te hebben met de ouders zich preventief indekken tegen dergelijke nieuwsberichten? Op de lange lijst met vragen naar leef-, eet-, studie- en andere gewoonten of de lijst met vragen rond het opleidingsniveau van de moeder en de thuistaal van de kinderen en de vragen over de gezinssamenstelling zullen scholen de vraag naar de openheid voor humor kunnen toevoegen. “Een grapje af en toe, kan dat?”

Misschien kan een visietekst rond het doel, het nut en de noodzaak van humor in een schoolcontext heel nuttig zijn? Niet doen! Het mag niet, dat is planlast en de minister is daar terecht tegen.

Hopelijk kunnen de leerkrachten van beide scholen nog lang navertellen over die supergrappige 1 ste april 2019, toen ze de nationale pers haalden. En blijf vooral positief, kritisch en vol humor want de meeste ouders en kinderen houden gelukkig niet van azijnpissers.

Morgen ga ik met plezier de kranten en de nieuwsberichten uitpluizen op zoek naar goeie grappen. Hopelijk verrassen onze bazen ons ook op 1 april. Stel dat wij morgen als supplement op de infodag over de nieuwe eindtermen secundair onderwijs, die gericht zijn op het sociaal en maatschappelijk weerbaar maken van leerlingen (toeval bestaat niet), ook verrast worden met een goeie aprilgrap? Hoe ontspannend zou dat zijn na een treinrit van twee en een half uur? Wedden dat de terugreis nog leuker wordt, dat we er veel plezier aan beleven met de collega’s over de provincies heen? Een betere en goedkopere teambuilding bestaat niet.  

Het is niet voor niets dat veel “slimste mensen” humoristen zijn. Blijkbaar moet je heel slim zijn om grappen te maken waar niemand zich aan stoort.  

Maak me morgen maar wakker als je een goeie aprilgrap hoort, I am into.

Poes en zijn voorwaarden

Vriend van iedereen die hem eten geeft.

Vandaag lees ik in de krant dat baasjes met plezier een fotoshoot betalen voor hun huisdier. Niet dat die hond of kat er iets aan heeft natuurlijk maar het baasje dan weer wel. Ook de column van vandaag, geschreven door Nico Dijkshoorn, gaat over katten. En stilaan moet iedereen die niet van katten houdt zich ergens niet normaal voelen want volgens dezelfde man staat het internet voor 97% vol met kattenfilms.

Dit weekend las ik zelfs in het Magazine Luxe van De Standaard dat de Chef van het Magazine, Stijn De Wolf, weelde associeert met soezen samen met poezen.

Dat alles maakt dat ik het beest dat nu lui naast mij op de bank ligt te slapen en af en toe een geluid produceert dat mij laat vermoeden dat het heel spannend is in zijn dromen, (nog) meer probeer te waarderen.

Hij kwam bij ons omdat onze dochter ons overtuigde dat een huisdier zorgt voor meer welbevinden. Ik bezweek omdat de kat een kronkeltje in zijn staart heeft en vooral omdat hij luid kan spinnen, ronken eigenlijk. Iets wat men mij ook verwijt en dat schept een band.

Ik woonde als kind op een boerderij. Katten kwamen niet binnen en dienden om muizen te vangen. Ook dat overtuigde mij om de kat in huis te nemen, liever een kat dan muizen.

Onze kat heet POES omdat hij op die roepnaam reageerde. Hij is vriend met iedereen onder zijn voorwaarden. Ga je daarop in, dan komt hij dagelijks op bezoek, nestelt zich in jouw zetel en neemt met graagte een maaltijd. Of hij nog langs komt als er geen maaltijd staat, betwijfel ik.
“Als je kat in andere huizen binnen gaat”, wist een vriendin, “krijgt hij daar eten”. Intussen werkt dat mechanisme bij een paar buren. Dat onze buurvrouw zelfs haar dochter de opdracht geeft om onze Poes te voederen terwijl zij in het ziekenhuis ligt, bewijst dat hij een graag geziene gast is in de straat.

Onze kat is een vriendelijke kat. Als hij ’s morgens binnen komt, kijkt hij ons aan, maakt een krakend geluid en loodst ons naar zijn eetbak. Wij vertalen dit ritueel als een frisse “Goeie morgen!”

Vriendelijkheid is nuttig. De overbuur kwam op een avond aan de deur en tot onze grote verwondering ging onze kat tegen zijn been wrijven en liet zich rustig aaien. Het was duidelijk, die twee kenden elkaar goed. Zo weten wij nu dat Poes ’s avonds in de plaats van muizen vangen en vossen op een afstand houden, rustig het huis van de overbuur binnen stapt en er op de bank gaat slapen, in onze verbeelding heel dicht bij een haard.

“Katten zijn er altijd, maar op hun voorwaarde”, schreef Stefan Hertmans. Zo kennen wij hem ook. Hij pakt altijd de beste plaats in, laat zich aaien als hij daar zin en heeft en geeft attenties als hij honger heeft, ligt stil als hij dat wil. Hij behandelt ons op een vertederende manier als zijn slaven. Ik vraag mij vaak af waarom wij hem zo graag hebben en wij dat dulden. Geen van zijn eigenschappen zou ik van een andere “man” tolereren. 😉

Die laatstejaarsreis

De laatstejaarsreis tijdens de paasvakantie

Aan een tafeltje op de Piazza Pitti in Firenze, zaten ze gezellig te keuvelen over hun toekomstplannen, vier jongens. Op de tafel staan vier lege potjes van gelati en een grote lege fles acqua. Wij willen dit toffe gesprek niet onderbreken door te verraden dat wij Vlamingen zijn. Zij hebben ons door en  komen vriendelijk een goeiedag zeggen. ‘Op laatstejaarsreis?’ ‘Wat bezochten jullie al?’

In hun verhaal horen we de vreugde van het afstuderen in het secundair onderwijs en de roep naar meer eigen interesses in hun studies. We merken  ook de heimwee naar de veiligheid die hun ‘groepje’ hen gaf. Een gevoel dat ik ook mocht ervaren, eenenveertig jaar geleden in de paasvakantie tijdens onze Italiëreis. Alsof het gisteren was.

‘Toffe jongens’ zei mijn vriendin. ‘Plichtsbewuste, brave jongens!’, dacht ik.  

De laatstejaarsreis

Zouden ze nu nog op die kunstwerken mogen kruipen om een foto te maken? Ik vrees het.

Voor mij (en onze kinderen) was  onze laatstejaarsreis iets fantastisch. Het was de eerste keer dat ik mocht vliegen. Wij bezochten Sicilië.
Onze zelfgemaakte reisgids uit 1978 ging mee naar Sicilïe, toen we het eiland een paar jaar gelden nog eens bezochten. Sicilië is de bakermat van Europa, een smeltkroes van culturen. Dat weet ik nog want wij maakten onze reisgids zelf en het was onze examenstof voor het vak esthetica.  De reisgids van de oudste kinderen gaat nog mee, telkens we een door hen bezochte stad bezoeken in ons favoriete land Italië.

De laatstejaarsreis, daar zagen wij jaren op voorhand naar uit. Dat was ook nodig. Naast het voorbereidingswerk voor de gidsbeurten die we zelf moesten doen,  organiseerden wij verschillende activiteiten om die reis te betalen. We maakten reclameboekjes bij een  filmvoorstelling, organiseerden een “kleinkunstavond” en  een fuif. Omdat we nog niet toekwamen, hebben we ook een paar weekends auto’s gewassen.

Wie gaat dat betalen? Wie heeft zoveel geld?

In de manier waarop die laatstejaarsreis betaald wordt, is er een groot verschil tussen scholen. Soms krijgen de ouders gewoon de rekening. Dit heeft tot gevolg, zo mochten we thuis ook ervaren, dat niet iedereen mee gaat omdat sommige ouders dit budget niet kunnen ophoesten.

Onze jongste dochter had het grote geluk in een school te zitten waar heel sterk gelet wordt op democratische prijzen en waar iedereen de kans krijgt om mee te gaan, net als bij ons. De leerlingen koken soep om te verkopen, poetsen zelf klassen, geven  een groot optreden met eigen gezang en dans. Ouders werken samen om de genodigden te voorzien van een heerlijke maaltijd .

Anna, onze jongste, wou vrijwilligerswerk doen in het buitenland als basis voor haar eindwerk. Toen ze haar project en haar doelstellingen voorstelde, vroeg de directeur wie haar reis zou betalen. Wat één leerling kiest als eindwerk moet iedereen kunnen kiezen zonder financiële beperkingen. Ze heeft gepoetst, opgediend op feesten en in cafés en nam thuis de poetsbeurten van de poetsvrouw over. Ze heeft met plezier zelf haar reis betaald. 

Jong geleerd, is oud gedaan

Een zelfde verhaal horen we in een zesde leerjaar van een basisschool. De leerlingen willen een pretpark bezoeken maar de maximumfactuur is overschreden. De klas maakt er een tof project van. Leerlingen mailen, onderhandelen en verzamelen prijzen. Gaan  op zoek naar het goedkoopste vervoermiddel en brainstormen over acties om het geld zelf in te zamelen. Het resultaat is een uitstap waar iedereen kan aan deelnemen. De weg naar het pretpark is zoveel rijker dan een busrit. Ze leren een budget beheren, prijzen kennen, zich inzetten voor een doel,  voor elkaar opkomen,  samen werken. De leerlingen vertellen fier tijdens het leerlingengesprek  dat zij daar zelf voor spaarden en de maximumfactuur niet overschreden. 

Nieuwe eindtermen secundair onderwijs

In de nieuwe eindtermen van de eerste graad secundair onderwijs staat dat leerlingen op school financiële en economische competenties moeten leren. Wij mochten deze competentie lang geleden al leren op school.

Eindtermen financiële en economische competenties secundair onderwijs
De hele groep in 1978

 

Er zijn weer veel zwarte schaapjes geboren

Over loverboys en politiekers die over de partijgrenzen samenwerken

Zwarte lammetjes



Het is lente en in mijn buurt zijn veel zwarte schaapjes geboren. Dat merkte ik toen ik deze morgen door mijn straat fietste. Mijn gedachten gingen naar de “zwarte schapen” die ik gisteren zag op tv. Ik las het. PANO zou over tienerpooiers een reportage maken. En we weten dat die panoreportages er diep inbeuken. Ik nam de reportage op maar wou het kijken toch nog uitstellen. Niet nu, niet vlak voor het slapengaan, niet na een drukke en lange dag. Ik wou het ergens niet weten, denkend aan onze dochters en dochters van vriendinnen en vriendinnen van … die allemaal gelukkig gespaard bleven van de manipulatie van malafide jonge mannen.

Ik zapte in mijn uitstelgedrag nog eens naar De Afspraak op Canvas. John Crombez en Zuhal Demir zitten zij aan zij en praten samen over de reportage en het onderwerp. Twee politiekers die over de partijgrenzen heen initiatieven ontwikkelen om jonge meisjes op te vangen, om het probleem onder de aandacht te brengen, om alle anderen te waarschuwen dat bepaalde jongens enkel slechtste bedoelingen hebben met hen. Ze toonden meisjes die na pesterijen, een onstabiele thuis, verschillende instellingen en adressen of een leven op straat, iemand vinden die hen de hemel belooft en voor wie ze uiteindelijk niets meer zijn dan geldgewin. Maar ze zijn verliefd, ze willen hun liefje niet kwijt, ze hebben er veel voor over, ze werden in een trechter geduwd waar ze niet zomaar uit komen na zoveel bedrog en emotionele chantage. En waar hun thuis moet zijn, zijn de bruggen vaak verbrand. Hun zelfbeeld is kapot, ze hebben hulp nodig zodat ze niet terug keren naar het milieu dat hen belaagt.

Elk jaar zijn er 24 meldingen van dergelijke misdaden door loverboys, hoog tijd dat er wordt ingegrepen, ook politiek.

Ik zag in De Afspraak twee politiekers die aan eenzelfde zeel trekken, eenzelfde doel hebben, elkaar steunen in voorstellen en initiatieven omdat er een nood is die moet verholpen worden.
Ze proberen elk om hun terrein iets op gang te brengen om loverboys te stoppen, tieneruitbuiting te voorkomen en die meisjes alsnog een gelukkig leven te geven.

Mag ik de hoop uitspreken dat onze politiekers in de aanloop van de volgende verkiezingen en nog ver daarna diezelfde opbouwende houding aannemen? Mag ik hopen op meer opbouwende politieke gesprekken op tv, zodat ik niet langer geneigd ben om weg te zappen, soms uit plaatsvervangende schaamte? En mogen wij in de toekomst nog meer van dit; mensen die samen werken en denken om de “zwarte” schapen van onze maatschappij te beschermen, uit te dagen tot een zinvol leven en groeikansen te geven?

Dat zou nu eens echt een nieuwe lente zijn en een nieuw begin.

“Heb je er zin in?”

Neen, ik had er even geen zin in !

Of ik er zin in had, vroeg de vriendelijke dame met een glimlach achter de balie van de fitness. De meeste sporters hebben er meestal zin in. Dus op het eerste zicht is dit een onschuldige, een retorische vraag waar je “ja”, een knikje of zelfs geen antwoord op verwacht. Als je die vraagt krijgt op een normale, doorsnee zaterdagvoormiddag, voor je rustig kan gaan sporten om daarna een heerlijke douche te nemen om het weekend te starten, geef je toch als antwoord: ” Ja, ik heb er echt zin in, ik ben er voor opgestaan, ik kijk er al twee dagen naar uit, fantastisch dat ik hier kan zijn en mag zijn, ik hou meer van mezelf als ik in het zweet sta, …” ?

Niet bij mij, niet zaterdag. De reden zal ik iedereen onthouden maar Murphy vond en vindt mij de laatste dagen en doet zijn werk grondig. Hij zet zelfs door. De volgende dag zat mijn tram meer dan een uur vast in het zand. Had ik op de juiste trein gezeten, ik had een tram vroeger kunnen nemen, vlak voor de zandstorm. Dit tussendoor.

Bij mij gaf “Heb je er zin in?” kortsluiting. Ik had er geen zin in. Ik was liever met mijn luie kont op de bank gaan hangen, de weekendkrant van HLN gelezen, wat foute muziek beluisterd. Neen, ik had geen zin om mij een uur af te beulen en ik zou mij moeten haasten want ik moest nog koken en had nog verplichtingen voor de noen.

Gelukkig houden mijn alerte hersencellen mijn impulsen onder controle want ik ben iemand die meestal heel spontaan reageert. “Ik zal er zin in krijgen”, zei ik bedacht nadat mijn ratio het overnam van mijn emoties. Maar ik vrees dat mijn non-verbale communicatie niet matchte met mijn antwoord.

Neen, zaterdag was een verplicht nummertje. Mijn aangeboren koppigheid- eerlijk gezegd, ik hebt die nodig – commandeert mij om minstens twee keer per week naar de fitness te gaan. Als ik het sporten te vrijblijvend opneem, kom ik er zelfs niet elke week want spontaan sporten is niet echt mijn ding. Ik doe dit omdat het moet op mijn leeftijd en omdat ik mij altijd beter voel, achteraf.

Ik had schuldgevoelens tegenover de balieassistente want ik weet dat vriendelijk blijven in alle omstandigheden moeite kost.  Doorgaans ben ik een positief iemand die een ander niet vlug zal overladen met mijn eigen negatieve emoties. Ik werd al afgevallen omdat ik te positief ben, omdat ik het beste in een situatie bleef zien, omdat ik dingen en mensen verdedigde die een ander al lang afschreef. “Naïef” noemen sommigen dat.

 Doorgaans die ik ook moeite om vriendelijk en attent te zijn. Ik geloof dat ik terug krijg wat ik uitstraal, zonder dat een bewijs of tegenbewijs nodig is. Dat is mijn positieve zelfbehoudende ingesteldheid, waar ik mijn voordeel uit haal.

Op een verplicht seminarie waar ik meer ongelukkige dan gelukkige mensen mocht ontmoeten, kreeg ik de schampere opmerking dat ik altijd met de glimlach op mijn gezicht liep. Maar ik voelde mij daar goed! Ik had in de kamer de afstandsbediening voor mij alleen, had goed en alleen geslapen, werd die nacht niet gestoord door een kind dat niet kon slapen, het bed werd voor mijn opgemaakt, het ontbijt geserveerd en ik moest geen files trotseren. Hoe cool is dat? Mensen die deze privilegies jaar in jaar uit krijgen, kunnen dat niet begrijpen.

Elke dag heeft wel een reden om een glimlach op je gezicht te toveren.  

Vriendelijk-zijn kan voor klagers een vorm van pesten zijn. Een glimlach en een positieve opmerking is niet wat zij verwachten. Zij willen gesteund en bevestigd worden in zijn negativiteit.

Ik probeerde te genieten van het sporten, de vraag “Heb je er zin in?” bracht een mindshift teweeg.  In het naar buiten gaan lachte ik naar de balieassistentie en zei ik haar dat het deugd gedaan had, om iets goed te maken. En ik meende het nog ook.  

Woensdag marktdag


Bij ons, in Brakel is het markt op woensdag. Gewoon een reden, voor veel Brakelaars om ondanks regen, wind en hagel buiten de komen en vis te kopen.

Ik had precies één uur om mij nuttig bezig te houden, terwijl mijn auto in de garage was voor een  groot onderhoud. De bibliotheek was nog niet open, naar de markt dan maar. Voor mij is het altijd een plezant thuis – komen in Brakel, waar ik al heel mijn leven woon en waar ik meer dan 10 jaar les gaf in de lagere school. Door mijn huidig beroep zit een marktdag er nog zelden in. Ouders, grootouders, kennissen, buren spreken mij aan, en ik hen.

Het eerste wat mij opvalt, is het vele lijden waar mensen onder gebukt gaan en er graag over vertellen. De dochter is gescheiden, de zus is ziek, de moeder dementerend… Dingen des levens waar we allemaal mee geconfronteerd worden. Maar we komen naar de markt, we komen buiten, we zien al eens iemand, de groenten zijn vers en de visboer komt rechtstreeks van de zee.  

De markt is de plaats waar mensen naar mijn mama vragen. Ze is intussen 85 en ontziet zich om nog naar de markt te gaan. Net als ik praat ze met iedereen en tovert ze graag een glimlach op haar gezicht.

In de kerk, waar je op zondag de mensen kan tellen, staan op woensdag heel veel kaarsen te branden. Commercieel gezien een topdag voor de parochie maar ook een bewijs dat de aarde een tranendal is EN dat mensen hoopvol zijn.  

Volgens my pension kan ik in 2021 met pensioen. Ik praat met mensen die net of al heel lang geleden die stap zetten en ze kunnen het me allemaal aanraden. Op de markt is zelfs de oplossing voor een dilemma te vinden. Ik hou van mijn werk maar ik besef dat ik veel mis. De markt op woensdag bij voorbeeld.

Even later besluiten een jeugdvriend en ik om bij te praten bij een tas koffie. De cafés zitten barstensvol. We vinden gelukkig nog een plaatsje. En wie komt daar binnen? De vele vrouwen die een half uur vroeger over hun tegenslagen vertelden, hebben hun wekelijkse afspraken gevonden. Lachend komen ze binnen en rondom ons weerklinken lachsalvo’s.  

Over het feit dat mijn tafelgenoot en ik samen op stap zijn, worden grappen gemaakt, iets wat mijn jeugdvriend gretig uitlokt en ik niet tegenspreek.

Woensdag marktdag is niet alleen de visdag maar de dag van de ontsnapping. Met een koffie of een goed biertje worden de zorgen van de voorbije week doorgespoeld en de nieuwe nieuwsjes, waar of fake verspreid.

Tevreden gaan ze naar huis, op tijd voor het noeneten. Ze kunnen er weer een week tegenaan.  

Vintage in the old fashion way


We geraakten aan de klap op het perron. Het hoedje stond haar beeldig. We praatten door op de trein en in enkele minuten vonden we dingen die ons beiden raakten en dingen die verschilden in ons leven. We wonen deeltijds in dezelfde badstad, we zijn bijna-leeftijdsgenoten. Ze vertelde dat haar schoondochtertje altijd goed gekleed liep en ze haar kleren tweedehands of in een kringwinkel kocht, net als mijn jongste dochter. Ze had het er moeilijk mee, ze zou dat niet direct doen. Maar wij vonden beiden van onze smaakvolle volgende generatie dat ze er beeldig uitzagen, origineel, ze pasten in de boekjes, kwamen precies uit een doosje en ze zijn een voorbeeld voor reportages over ‘streetfashion’.

Zo zijn vrouwen, we praten met wildvreemden maar vinden onszelf er steeds in terug.  

Nu komen de vintagewinkels en outletshops als paddenstoelen uit de grond. In mijn buurt verkoopt een jonge onderneemster (www.david-dupont.com) tweedehands handtassen van Delvaux. Voor een nieuwe moet een normaal-verdiener heel lang sparen. Voor een tweedehandse is dat eigenlijk ook nog lang. Wij gaan er al eens binnen voor een heerlijke koffie op zaterdagvoormiddag. De rest volgt misschien.  

Tweedehandsstukken hebben een geschiedenis en veel goedkoper, ook dat is ecologisch. Zo kocht ik een gouden ring met een steen die mij geweldig aantrok, een topaas. De ring droeg ik intussen slechts heel sporadisch, hij trekt mij niet meer aan. Zo sterk als de ring mij aantrok toen hij in de vitrine lag, zo sterk is mijn afkeer nu. En ik weet niet waarom. Misschien hangt er net bloedstollend, spannend en intrigerend verhaal aan vast dat mij heel veel onrust geeft. Ik sta voor alles open, kan iemand mij dat verhaal vertellen?

Terug naar onze dochters. Onze jongste dochter en haar vriendinnen kopen vaak vintage. Dat doen ze niet alleen uit ecologisch standpunt maar ook gewoon omdat ze tussen de massa kleren een ruime keuze hebben, hun creativiteit kunnen botvieren om uiteindelijk op een zeer persoonlijke manier gekleed te zijn. Designers gaan op de straat kijken hoe de jeugd en andere vooruitstrevende creatieveling gekleed lopen, als inspiratie voor hun collecties.

Zo zie ik mijn dochter vaak, wow, echt wow gekleed. Ze combineert op een originele manier en vooral smaakvol. Omdat ze haar hele leven al geïnteresseerd is in schoonheid raadde ik haar zelfs aan om iets te doen in de modesector. Ze is daar nooit echt positief over geweest. Naaien zei haar niets, ook al leerde ik het haar en de overcommercialisering van de modewereld houdt haar op een afstand. Maar wat niet is, kan komen.

Dat ze niet gekleed wil gaan zoals al de anderen, dat kleding meer moet zijn dan winkelen, geld uitgeven en dragen, kan ik heel goed begrijpen. Want dat is net wat ik ook deed op die leeftijd maar dan op een iets andere manier.  

Ik was wel geïnteresseerd in die naaimachine. Ik wachtte het moment af tot mijn moeder weg was om het stikken te oefenen. Van kindsbeen af. Heel jong naaide ik mijn kleren zelf, of ik deed een poging. Mijn mama kon goed naaien en ik wou dat ook kunnen. Ik ging windowshoppen voor een leuk patroontje, tekende het in de mate van het mogelijke na en ging naar de stoffenwinkel om nadien het stofje te verwerken tot iets eigens. Het is magisch om uit een doek een draagbaar kleedje te maken Als ik een vintagewinkel bezoek met mijn dochter, zie ik ook onmiddellijk waar een kleedje met weinig naaiwerk ingekort of aangepast kan worden. Maar zelfs dat zet haar niet aan om zelf te naaien.

En in deze vergaderluwe krokusvakantie nam ik mijn oude liefde terug op, na jaren. Ik naaide een boord aan een kleedje dat te kort was voor mijn leeftijd en lichaamsbouw. Het lukte en het smaakte naar meer. In mijn boekenkast zocht ik naar een passend patroon en in mijn stoffenkast een oud stofje. Patroonboeken en stofjes ben ik blijven verzamelen, ook in mijn naailuwe periode. Gewoon in de hoop dat de goesting om te naaien terug zou komen.  

Het is bijna zo ver, mijn kleedje is bijna af. Nog een paar finishing touches en hopelijk kan ik het volgende week met veel trots dragen.

Ik voel mij verwant met mijn dochter. Niemand maar dan ook niemand heeft een kleedje in mijn patroon met die stof. Het is een pièce unique, een beetje vintage in the old fashion way. 

De clash der generaties

Dat het niet leuk is, dat leden van haar familie, in wie ze heel veel vertrouwen heeft, via facebook grappen delen rond de klimaat perikelen en de klimaatspijbelaars. Dit is iets waar zij zich hard voor inzet en ze wil er respect voor, zeker van haar naasten.

Ik beken dat ik sommige grappen wel goed vind, anderen zijn er regelrecht over. Humor wel, cynisme neen. Maar het gaat niet over mij, ik krijg een rol als bemiddelaar.  

De gedachten die bij mij blijven hangen, hebben geen betrekking op de polemiek rond het klimaat maar over de clash der generaties. Voor mij staat vast dat wij de jeugd wel kunnen begrijpen maar vaak andere oplossingen zien omdat wij in een andere fase zitten. Het is eigenlijk tegennatuurlijk dat mensen over de generaties heen, volledig akkoord gaan met elkaar.

Geef toe. Oud en jong zijn al heel erg naar elkaar toegegroeid de voorbije jaren. Alle generaties dragen dezelfde kledij. Zowel bij de babykleren als voor 80-jarigen worden jeansvesten verkocht. Dit is nooit gezien. Als wij een kleed van ons mama aantrokken, was het gewoon om op te vallen, om een statement te maken, om carnaval te vieren of driekoningen te lopen. Laatst zag ik een oma en kleindochter samen in de winkel van “Essentiel” dezelfde kleedjes passen. Het kan, het gebeurt.

Oma’s ouders en kinderen trekken ook samen op in de klimaatsmars. Het kan, het gebeurt. Ouders en leerkrachten trekken mee met de leerlingen in de spijbelmarsen. .. ???

Mag ik mij even verplaatsen in mijn 16-jarige zelf?

Was ik gaan betogen? Zeker! Had ik erover gediscussieerd alsof mijn leven er van afhing? Je mag gerust zijn. Had ik graag gehad dat mijn ouders en leerkrachten meeliepen naast mij? Eerlijk, liever niet!

Daar zit het verschil met de jeugd van nu. Zij, maar ik heb geen idee over welk percentage dit gaat, hebben daar geen problemen mee. En als ze die al hebben, dit lees ik dit niet in de krant.

Het is heel normaal dat mensen grappen maken!” Dat probeer ik haar te vertellen. “Als je stevig een punt maakt, krijg je tegenwind“.

Veel liever dan een pak kritisch-cynische opmerkingen, hou ik van een cartoon. “En veel opmerkingen zeggen meer over diegene die ze schrijft dan over de actie an sich”. Dat probeer ik haar nog mee te geven.

Ik vroeg al aan mensen die commentaar hadden op de klimaatmarsen of zij zouden gestaakt hebben toen ze 16 waren. “Ja”, ze antwoordden bevestigend maar zeggen er bij dat ze dat nu niet meer zouden doen. Omdat de leeftijd ons andere opvattingen gaf, dat is de cirkel van het leven.

De spijbelende jeugd is er zeker in geslaagd om het gesprek op gang te trekken, om de nodige aandacht te vragen voor het milieu en dat is goed.

Moeten volwassenen onmiddellijk, hier en nu, op een kar springen en morgen met een oplossing komen? We kennen dat soort oplossingen voldoende, daar zitten we niet op te wachten. We willen een beleid op langere termijn.

Mijn dochter heeft wel gelijk als ze het jammer vindt dat sommige volwassenen het protest gewoon weglachen omdat het de jeugd is die zaken poneert. Daarom wil ik de rollen eens opdraaien.

Op elke leeftijd wil je ernstig genomen worden. Voor mij, als “oudere werknemer” is dat niet anders. Het is niet leuk voor onze jongere collega’s om van ons, anciens te horen dat voorstellen toch niet werken, dat we het allemaal probeerden en dat het geen zin heeft om je in te zetten voor bepaalde veranderingen. Daarom probeer ik dat niet te doen.

Het is evenmin aangenaam om te horen dat leeftijdsgenoten niet meer aan werk geraken of te horen dat die ouderen uit een andere tijd komen, zij niet meer mee zijn en de jeugd alles moet oplossen wat wij verkeerd deden. Het is zeker niet leuk bestempeld te worden als iemand die einde loopbaan is, met de veronderstelling dat mensen die slechts enkele jaren meer moeten werken fin de carrière zijn in de kwalijkste betekenis van het woord. Ik wil nog alle kansen krijgen en ik wil ze allemaal benutten en tot een goed einde brengen.

Neen, ik zou niet graag zien dat mijn kinderen oudere werknemers belachelijk maken op facebook en ik begrijp mijn dochter voor 100 procent als zij niet graag heeft dat iemand van ons grapjes deelt die zij als aanstotend beschouwt.  

Maar humor zorgt voor heel veel relativering en zo lang we kunnen en mogen lachen is er hoop, is er democratie, vrijheid van meningsuiting en plezier. Ik zie mijn generatie liever lachend dan bitter want met cynische oudjes is niemand gediend. 

18 jaar en altijd klaar voor een stevig debat

Jezus zit in je hartje en als je drinkt, is zijn hoofdje nat

In de tweede kleuterklas zat onze oudste dochter bij zuster Angèle. Een schat van een mens. Kleuters leerden er bidden, luisterden naar bijbelverhalen en geloofden dat Jezus in hun hartje zat. Een gedachte die mijn dochter veel rust en zelfvertrouwen gaf. ’s Middags aan tafel zei ze plots nadat ze een slok water nam: ”Nu is Jezus zijn hoofdje nat.” We vonden die gedachte zo mooi dat we niet in discussie gingen. De fantasie en de illusie hebben hun waarde en wij wilden voorkomen dat deze grappige en geef toe logisch-creatieve opmerking een koude douche zou worden voor ons gelukkig kind.

Die koude douche kreeg ik gisteravond toen ik naar het programma NACHTWACHT keek op CANVAS. Deelnemers aan het debat waren Othman El Hammouchi, conservatieve moslim, Assita Kanko, die als moslima opgroeide maar het geloof vaarwel zei, en de Antwerpse bisschop Johan Bonny. De vraag waar een antwoord moest op komen was: “Komt God terug?”

Nu weet ik nog niet waar ik mij meest aan ergerde? Aan een jonge filosoof en wiskundige van 19 jaar die het domein ‘luisteren’ in het leergebied Nederlands nooit onder de knie kreeg? Aan de discussie die onmiddellijk leidde tot angst en terreur, de schending van de vrouwenrechten en fundamentalisme? De vele ongenuanceerde uitspraken voor zover dat mogelijk was omdat er gewoon niet geluisterd werd en men door elkaar bleef praten?  Omdat het niet over God maar over dogma’s en wetten ging?

Vrouwenrechten en godsdienst, twee begrippen die heel vaak vloeken. Kanko deed haar best om aan het woord te komen maar werd constant afgeblokt en onderbroken op een onrespectvolle manier. De gespreksleider liet begaan en liet tussendoor filmpjes zien die het gesprek nog gênanter maakten, vooral voor Kanko.

En toen… kwam bisschop Bonny. Een ervaren man, met charisma, die wel kan luisteren, die zinvolle dingen kan zeggen en die het respect kreeg van de andere gasten aan de tafel. Hij mocht wel uitspreken. Omdat hij een man is? Omdat hij ouder en grijzer is? Omdat hij in tegenstelling tot Kanko wel gelovig was? Hij hoefde niet over te gaan tot oneliners om te scoren en dat bracht enigszins rust.  

Uiteindelijk onthoud IK uit het hele gesprek dat vrouwen in de drie godsdiensten die aan bod kwamen, de islam, het katholicisme en het jodendom niet dezelfde rechten hebben als de man.

Godsdienst is een gevoelig thema en een antwoord op de vraag of God terug komt, kreeg ik niet. Uiteindelijk ging dit niet over God maar over de vertaling van de bijbel, thora of koran door mensen, vroeger en nu.

Een beschaafder gesprek had gemogen!

In de kleuterklassen zie ik soms dat de leerkracht een praatstok doorgeeft. Wie de stok heeft, mag spreken en de anderen moeten luisteren. Misschien een tip voor Jan Leyers? Wie weet leidt deze kinderachtige ingreep tot een volwassen gesprek.

En die volwassen gesprekken zijn er nodig want er zijn nog veel gesprekken en vooral daden nodig om de vrouwen even veel rechten te geven als de mannen in de kerk.

Of laat ons Jezus gewoon terug brengen in ons hartje. Dan moest ik mij geen uur ergeren.

Toen Jezus nog in haar hartje zat en zij een rood brilletje droeg.

Art, Hysterie und Solidarität


Een tentoonstelling met zesentwintig nieuwe schilderijen van Gerhard Richter in het Museum Ludwig in Keulen, was een voldoende grote reden om een weekend af te reizen naar de stad aan de Rijn, nu bijna 2 jaar geleden. Pasen naderde en we namen bij het ontbijt vlug een worp  paaseitjes mee aan de hotelreceptie op weg naar het museum.  

Aan de balie tonen we onze tassen… te groot. We maken van de gelegenheid gebruik om ons te ontlasten van alles wat storend kan zijn om optimaal te genieten van ons museumbezoek. Wat mij betreft, inclusief mijn gsm. De dames achter de vestiaire doen hun uiterste best om ons in het Engels te woord te staan. We belonen hen met een paaseitje. Ze weten dit mit Freundlichkeit te appreciëren. Wij laten onze tassen achter.

Via een brede en grote trap bereiken wij het walhalla van kunst.  

De uitgebreide popartcollectie met werk van onder andere Andy Warhol, Lichtenstein en Wesselman doet ons wegdromen naar het MOMA en de prachtige kunstgalerijen in New York. Een reis die wij ook met ons tweeën deden.

En dan sereen, heel traag, onszelf voornemend dat we van elke borsteltrek, elke kleurschakering, elke lijn, elk vlak van het werk van Gerhald Richter zullen genieten, gaan we de brede gang met de prachtige nieuwe werken van de nog levende kunstenaar in. Elk werk, alhoewel abstract bedoeld, heeft een eigen verhaal. Je kan niet ongevoelig blijven bij de kleurenpracht. Tussen de verschillende lagen verf verschijnen figuren, landschappen, dieren die enkel bestaan in het hoofd van de toeschouwer en daardoor voor iedereen verschillend zijn.

Het is opvallend stil in de gangen. Excellentie kan je enkel vieren in stilte.

Verdronken in onze eigen gedachten, onze eigen beelden en fantasie, vertoevend in het genot dat kunst kan bieden, verliezen mijn vriendin en ik elkaar uit het oog. Liep ik daar één uur rond of waren het er twee? Ik weet het niet. Het is niet erg, dit is genieten.

Plots sta ik aan de uitgang. Ik herbekijk daar de film die de oprichting van de tentoonstelling toont. De kwieke 85-jarige artiest denkt naarstig mee over de opbouw van de tentoonstelling om ze te maken tot wat ze is. Mijn vriendin verschijnt nog steeds niet aan de uitgang. Ik ga op zoek en kom ik tot de vaststelling dat ik een groot deel van de oudere werken van Richter miste. De nieuwe wegen die ik insla brengen mij ook bij de permanente collectie; het realisme, het dada-isme, het kubisme, Picasso en zelfs een eenzame Mondriaan.  

Nog steeds is mijn vriendin niet te zien. Ik krijg honger.

Ik ga naar de balie, denkend dat ik over de juiste papieren beschik om mijn handtas en gsm op te halen en om mijn vriendin te bellen.

Er staat een lange rij wachtenden. Slechts één Garderobe Dame bewaakt de winkel. Ik wacht braaf, haal de twee tickets uit mijn zak. Als ik aan de beurt ben, blijken die van onze achtergebleven valiezen in het hotel te zijn. Die Dame von der Gaderobe ist neu, ze kreeg geen paaseitjes van ons, is minder vriendelijk maar wel heel plichtsbewust. Ik krijg mijn handtas NIET!

Een nieuwe museumbezoeker levert intussen zijn jas en tas in. Ik probeer nog te zeggen dat mijn handtas links aan de kapstok hangt, heel duidelijk zichtbaar maar de bezoekers duwen mij opzij en die Dame negeert mij compleet.

Braaf keer ik terug naar het museum en zet mezelf op een strategische plaats. Ik wacht. Mijn vriendin komt niet in beeld.

Na een half uur raap ik al mijn moed samen en probeer het nog eens. Ik oefen mijn (gebroken) Duits en drijf mijn doortastendheid op, terwijl ik de brede trap afdaal. Ik MOET mijn gsm hebben! Ik sta terug in de rij en wacht, klaar voor de aanval.

Die Dame ziet mij, probeert mij opnieuw te negeren en ik vertel mijn verhaal opnieuw, benen lichtjes gespreid zodat niemand mij kan wegduwen. Ik toon haar dat meine Handtasche mit Blumen ‘dort’ hangt. Ze kijkt heel even richting mijn handtas en zegt in het Duits dat zij dat niet mag doen.

Nu heb ik alle respect voor plichtbewuste werknemers maar soms leveren je m’en-foutisten ook goed werk. NU bij voorbeeld. Ik dring verder aan in mijn beste school-Duits. Daar schiet ik niets mee op en hoe meer zij mij negeert, hoe dwingender ik word. Desnoods zal ik krokodillentranen wenen maar ik MOET mijn gsm hebben!

Elk normaal mens, en ik reken mijzelf daar bij, weet dat er veel ergere dingen bestaan dan een vriendin verliezen in een museum. Paniek is hier totaal overbodig maar hoe meer zij probeert van mij af te geraken, hoe meer ik mij inleef in de rol van hysterische museumbezoeker. Waarschijnlijk flapte ik er zelfs een Vlaamse vloek tussen.

Ik herpak mij en probeer nog eens kalm uit te leggen dat ik enkel mijn gsm wil, een blauwe apple en dat alleen IK kan bellen omdat enkel IK  de code van mijn gsm ken. Die Dame houdt voet bij stuk.  

Plots komt er hulp uit een onverwachte hoek. Een Schotse dame volgde het hele tafereel en vraagt die Dame kordaat en dwingend om mij mijn gsm te geven. Een paar andere museumbezoekers steunen haar.  ‘Ik mag dat niet’ jammert die Dame verder.

Uiteindelijk geeft ze toe.  

Ik krijg mijn handtas. Of toch niet. Die Dame blijft mijn handtas vasthouden zodat ik mijn gsm er kan uithalen. Ik bel mijn vriendin en stop mijn gsm braaf terug in mijn gebloemde tas. Alles gaat terug in de garderobe.

Ik bedank mijn supporters in het Engels, het Duits en het Frans.

Solidariteit onder vrouwen bestaat, zeker in een museum en over de grenzen heen. Je hoeft de nood alleen een beetje meer in de verf te zetten. Ook dat is kunst.