Gingers unite

Meer kleur in de doffe wereld

Smelt smelt …

Hij liep te voetballen met zijn klasgenoten in zijn spiksplinternieuw pakje van onze nationale ploeg. We bekeken het tafereel met enkele vrouwen van op een afstand. ‘Kijk daar, mijn rode duivel”, zei ik heel spontaan en bijzonder fier. Plots merkte ik dat er een zekere verontwaardiging was omdat ik mijn kind met rood haar, een rode duivel noemde. Ik keek verwonderd want ik zei het zoals elke andere moeder haar kind, helemaal in het rood, zou noemen. Een oudere dame vond de situatie gênant en zei: “Je mag al blij zijn dat hij geen groen haar heeft.” Mijn verbazing bleef stijgen. Dwaas? Dom? Grappig?

Dit gebeurde meer dan 30 jaar geleden toen in de meeste scholen enkel blanke leerlingen school liepen, toen er nog weinig kinderen van vreemde origine waren, toen er nog geen M-decreet was en onze maatschappij niet zo divers was als nu.

Op kraambezoek met mijn zoontje, zag ik triestheid. Het verdriet ging over het roodharig kind dat in zijn wiegje lag. Een perfect gezond kind. Dat ging mijn verstand te boven en raakte mij heel diep. Ik heb mijn ventje nog eens heel goed vastgepakt.  

In mijn kindertijd heb ik het versje “Roste wat moet het koste om achter mijn kiekens te crosse…” horen scanderen, ook tegen mij omdat ik een rosse schijn in mijn haar had. De vrees dat roodharige kinderen gepest zouden worden, zat en zit er bij sommige ouders en grootouders in.

Het is totaal onterecht om dat pesten enkel aan het rode haar te wijten. Wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. Daarom moeten we alle kinderen weerbaar maken want iedereen heeft wel iets waar iemand grappen kan over maken. Maar niet alle grappen zijn kwaad bedoeld, dat moeten we ook voor ogen blijven houden.  

Roodharigen zijn zeldzaam net als kinderen die uitzonderlijk groot zijn, uitzonderlijk verstandig en kinderen die van een ander land of zelfs dorp afkomstig zijn. In kinderboeken zijn de roodharigen vaak de grappigste, de deugnieten, de kapoenen. Als het grappig bedoeld is, kan dat gerust maar laat andere haarkleuren ook eens die rol spelen.

In januari was ik vertederd toen de roodharige prins Harry een meisje kuste dat met een plakkaat in haar hand zijn aandacht trok “Gingers unite!” Hij gaf het vierjarig meisje een dikke knuffel.

Gisteren smolt mijn hart bij de foto van een neefje met heel mooie krullen. Rode krullen. Maar vandaag zag ik het bericht van een trieste en boze moeder  verschijnen op facebook.



Dit is niet fijn! Mag ik een warme oproep lanceren: “Gingers unite om bange en dwaze mensen op te roepen eindelijk eens NORMAAL te doen!” En breng vooral veel kleur in de wereld.

Meesterschap in onderwijs

Meesterschap

Nooit gedacht dat ik de directrice van de school waar ik mijn eerste interim deed en waarvoor ik later nog enkele jaren zou werken, zou bedanken in een column. Ze was streng voor mij, beginnende leerkracht. Ik startte in het eerste leerjaar in september. Het leerjaar waar ik het meeste schrik voor had omdat we zo veel geleerd hadden over de belangrijkheid van de lees-, reken- en schrijfvoorwaarden in de lerarenopleiding. Ik dacht dat ik al veel wist maar kreeg daar niet de bevestiging van, integendeel. Ze maande de leerlingen aan om recht te zitten en de juiste schrijfhouding aan te nemen. Ze observeerde de lessen, dacht mee en zei vooral wat beter en anders kon. Ze eiste een overzichtelijk bordschema in kleur met een perfect bordschrift en controleerde de klaswanden. Ze wou dat de letterdoos klaar stond voor elke les zodat leerlingen niet verward raakten in de vele letters die ze nog niet kenden. Ze wou dat kinderen de tekst volgden met de vinger om zeker te zijn dat ze de tekst niet van buiten gingen papegaaien. Kortom, ze wou dat ik kinderen ondersteunde in hun aanvankelijk leerproces en hen daartoe de nodige structuur bood. Ze legde onmiddellijk de plooi voor een stiel die ik graag gedaan heb en waarin ik mij jaren later in specialiseerde: de overgang van de kleuterklas naar het eerste leerjaar.

Lesgeven vraagt meesterschap

Leerling

“Lesgeven in de eerste graad is een stiel”, zeg ik tegen leerkrachten van de eerste graad. Bij eentje staat het schreien nader dan het lachen, de andere lijkt meer bereid om mee te gaan in onze vaststellingen. “Het is een meesterschap dat je gaandeweg moet leren, met vallen en opstaan”. Mijn collega is net als ik een ervaringsdeskundige in de eerste graad. We troosten hen door te zeggen dat wij ook op de vingers getikt werden, wij ook moesten bijleren, ook bleven proberen om uiteindelijk tot resultaat te komen. De jonge leerkrachten lachen even. We reflecteren verder over hoe zij de hiaten in de didactische aanpak kunnen bijsturen en hoe zij leerlingen verder kunnen ondersteunen om tot betere resultaten te komen. Het eerste leerjaar is cruciaal in de onderwijscarrière. Het is dat ene moment waarop ze schoolrijp of bijna-schoolrijp zijn, het ideale moment om te leren lezen, rekenen en schrijven. En dat moment is kostbaar want het komt nooit meer terug.

Het proces van schoolrijpheid

Intentioneel leren vraagt inspanningen van de lerende maar ook van de leerkracht. Hij of zij moet de leerinhouden op een overzichtelijke en logische manier aanbrengen, oefenen, een stapje terugzetten, weer een stapje verder gaan, het eens op een andere manier proberen … Voor sommige kinderen lijkt lezen een natuurlijk proces. Ze lezen woorden globaal, uit herkenning maar beschikken ze over alle deelvaardigheden om tot lezen te komen? Slagen ze er visueel en auditief ook in om andere woorden te analyseren en te synthetiseren? Kinderen verdienen dat dit proces systematisch gebeurt met respect voor hun gevoelige leeftijd want niet alle kinderen zijn voldoende schoolrijp in het jaar dat ze zes jaar worden. Sommigen zijn pas enkele maanden later klaar en het schooljaar loopt verder. En er is zoveel dat we moeten ondersteunen tijdens die cruciale maanden: de lees-, reken- en schrijfvaardigheden, het metacognitief bewustzijn, de zelfsturing, de concentratie, uit de egocentriciteit stappen … Sommige kinderen zijn qua mentaliteit en rijpheid nog kleuters in het eerste leerjaar en dit vraagt een specifieke aanpak.

Leren lesgeven in het eerste leerjaar

Op een onderwijsconferentie in Londen hoorde ik dat Schotse studenten van de lerarenopleiding voor het secundair onderwijs stage moesten lopen in het eerste leerjaar omdat ze daar duidelijk konden zien hoe ze het proces van intentioneel leren kunnen ondersteunen. De verschillende fasen van leren zijn duidelijk en je leert er een klas managen. Terwijl het ene kind in het eerste leerjaar erin slaagt om zijn potlood te vinden, heeft de andere een volledig blad oefeningen gemaakt. Terwijl je aan de hele groep een boodschap geeft, moet je aan Lieveke diezelfde boodschap nog eens herhalen want een boodschap voor de volle klas interpreteert zij niet als een persoonlijke boodschap.

Iedereen leraar?

Ik krijg eind september een paniekerige telefoon van de andere kant van het land. Of ik tijd heb om in het weekend langs te komen.  Onze kleinzoon heeft moeilijkheden met lezen en de juf vraagt aan de ouders om te oefenen.

We zoeken een rustig plekje. Papa en mama kijken over de schouders mee, oma noteert elke stap die ik zet want zij vangt hem vaak op na vier uur en ze wil weten hoe ze hem kan helpen. We oefenen de letters. Ze zijn gekend. Visuele discriminatie is geen probleem. Auditieve analyse en synthese lukt moeilijker bij deze jongen die geboren werd eind november. We maken er een spelletje van en oefenen. Dikke duimen verhogen zijn competentiegevoel en hij begrijpt de systematiek van het analyseren van woorden in letters en hoe hij de synthese van letters tot een nieuw woord kan maken. Vooral zijn zelfvertrouwen is gegroeid.  Onze leerling mag buiten skeeleren en ik leg nog even uit aan mijn schoondochter en zoon en aan oma hoe ze hem in de toekomst kunnen helpen. De volgende dag krijg ik telefoon. Het lukt al beter. Hoe ik dat kan? Omdat het mijn stiel is, was.

Te hoge verwachtingen voor ouders

Soms verwachten scholen dat ouders kinderen kunnen ondersteunen in hun leerproces. Enkel ouders die de stielkennis hebben, kunnen kinderen helpen in dat aanvankelijk leerproces. Dit leren moet op school gebeuren, bij de vakmensen. Jammer toch dat leerkrachten zich niet altijd bewust zijn van hun vakmanschap en zich te weinig bewust zijn hoe uniek en waardevol dat is. Meesterschap moet je oefenen en koesteren.

Wat je zelf kan, doe je soms beter


“Finnen putten plezier uit het gewone, het dagelijkse, de natuur. Ze krijgen meer wilskracht en een hogere motivatie door dingen die ze zelf kunnen doen, zelf te doen. En dat doen ze met moed, kracht en vastberadenheid, met SISU”. Dat lees ik in een boekje over de levenswijze van de Finnen, dat ik net ophaalde in de bibliotheek hier in Nieuwpoort. Finland is een land waar ik een paar keer te gast mocht zijn, onder andere om er het beste onderwijs van de wereld te leren kennen. En ook dat heeft vooral te maken met hun eenvoudige, logische, natuurlijke en praktische manier van leven.

SISU herken ik in mijn eigen opvoeding en ook in de opvoeding die Piet en ik onze kinderen hebben gegeven. Ik herken het zeker in mijn vastberadenheid en soms koppigheid om dingen die iedereen beter kan, toch zelf te doen.

Zo ben of was ik fier op het feit dat ik de kinderen zelf leerde autorijden. Het fantastische gevoel daarbij kwam vooral achteraf toen ze, soms na een herkansing, eindelijk dat rijbewijs haalden.

Ik heb doodsangsten uitgestaan toen ze plots midden een straat bij het afslaan stil vielen en er een auto onze kant op kwam. Maar ik zag het ook als een uitdaging om hen bij elke rit iets nieuws te leren. “In Brussel neem ik wel over, tot daar is het rechte baan”, zei ik tegen de tweede die pas enkele weken reed en uiteindelijk reed ze de rit uit, inclusief de Brusselse tunnels.

Het waren boeiende en interessante ritten. We leerden elkaar beter kennen op het moment dat zij net iets meer afstand namen van thuis. We zaten uren samen in de auto en naarmate het automatisatieproces van het rijden vorderde, was er ook tijd voor leuke gesprekken. Ze woonden alle drie al op kot toen ik hen leerde autorijden en ik mocht meegenieten van hun leven in Gent of Brussel gedurende de vele leuke gesprekken .

Ik ben zelf geen uitgesproken goeie chauffeur. Ik kan het redelijk goed uitleggen maar ben mij er van bewust dat ik, zeker als er een praatgraag of interessant iemand naast mij zit, nogal eens verstrooid kan zijn. Non-verbaal werd dit mij al meerdere keren gemeld. Sommigen remmen mee, anderen houden preventief de handen klaar om het dashboard vast te grijpen, in geval het nodig zou kunnen zijn.

Doordat ik de kinderen leerde auto rijden, ken ik ook hun rijstijlen en deze verschillen. De ene heeft een vastere hand aan het stuur dan de andere. De ene is vlugger afgeleid dan de andere, de ene is technisch sterker in het parkeren dan de andere, ook al hadden ze dezelfde meester.

Het bijzitten in de examens was zwaar. Ik voelde mij gefaald als zij een fout maakten en de stress van de begeleider is groter dan die van de chauffeur want die heeft op dat moment geen tijd om zich zenuwachtig te maken.

En dan… Op een zondag reden de kleinzonen mee met mij. Uit het niets zei de oudste van op de achterband “Omalu, je had papa beter met de auto moeten leren rijden”. Ik schrik en vraag waarom hij dat zegt. “Papa zegt dat jij hem leerde rijden.” Van op de achterbank hadden zij het gesprek gehoord tussen hun ouders. Een scenario waar we ons allemaal in herkennen: “Zeg, wie heeft jou leren met de auto rijden? “ Antwoord: “Mijn moeder.”

Zo zijn mijn kleinkinderen; ze zijn eerlijk, oplossingsgericht en praten tegen de juiste persoon. Mijn schoondochter en zoon ontkenden niets. Ze keken wel verwonderd toen ze hoorden dat hun zoon erover verteld had.

Hoe dat rijgedrag nu nog moet bijgestuurd worden, weet ik niet en ik hou er mijn handen af. Ik heb mijn SISU getoond tot de dag van hun rijbewijs. Nu zijn ze zelf verantwoordelijk.

Moraal van het verhaal: Let altijd op wie op de achterbank zit, het zou wel een probleemoplossend en eerlijk kind kunnen zijn.

Het rendier


Er ontbrak nog één cadeautje onder de kerstboom, dat van onze jongste kleinzoon. Hij is er intussen 5. Ik had echt geen idee wat hem blij kon maken en dus ik vroeg het hem op de man af.

‘Een rendier.’ ‘Zoals de kerstman? ‘ ‘Ja!’

Ik dacht dat het een grap was maar zijn broer fluisterde onmiddellijk in mijn oor dat je dat kunt kopen in de Fun. Ik vond er één. Op mijn weg naar de kassa sprak ik drie winkelgasten aan om te weten of dit nu wel een rendier was. ‘Absoluut’. ‘Niet twijfelen’.

Op kerstavond ging het pakje van amper 9 euro open. De vreugde kon niet op. ‘Dit wordt mijn lievelingsknuffel’. We horen hem de hele avond niet meer. Het rendier gaat mee naar bed, veel te laat maar rendieren zijn gehard in het leven door ergere dingen dan slaapgebrek.

Op kerstdag zijn ze zijn weer veel te vroeg wakker. We kijken samen naar een BBC natuurdocumentaire over rendieren terwijl de mama en papa wat slaap inhalen. Mijn voorzienigheid als oma en schooljuffrouw zorgde ervoor dat we met z’n drieën, de twee broers en ik een waardevol maar heel gezellig pedagogisch momentje meemaken. We krijgen een dipje wanneer we horen dat wolven en lynxen  jaarlijks, in Fins Lapland alleen, 20 000 rendieren opeten. Terloops zegt onze jongste dat hij later naar Lapland wil gaan en dat ik mee mag. Ik voel mij vereerd.

Ze vertellen aan ontbijttafel bij het heerlijk Italiaans kerstgebak, dat achteraf een dessert bleek te zijn, verder over het leven van rendieren. Mijn zoon twijfelt of zijn zoons rendier geen eland is maar dat is een zinloos detail. Onze kleinzoon reist constant naar een fantasiewereld met kerstmannen, heel veel rendieren en een invoerverbod voor wolven en lynxen.

We halen het fotoalbum van onze reis naar Lapland boven en raden onze zoon en schoondochter aan om toch eens op reis te gaan naar het Hoge Noorden. Als ze bijna enthousiast zijn vraag ik ook aan de kleinkinderen of ze daar graag naartoe zouden gaan. ‘Is het daar koud?’ ‘Is dat ver?’’Is het daar donker?’

Drie keer “ja” als antwoord zorgt ervoor dat de jongste zijn neusje optrekt en resoluut van neen schudt.

En dat gebaar doet mij beseffen dat als een kind een rendier vraagt, het enkel over een rendier gaat en niet over een dure reis naar Lapland.

Hij geniet van zijn knuffel, maakt plannen om een legostal te bouwen en houdt het dier de hele namiddag in zijn hand. Intussen zit hij in gedachten bij de rendieren, de kerstman, de sneeuw en is hij fysiek heel dicht bij huis waar hij het liefst is en blijft.

Deze morgen kreeg ik telefoon. Het rendier is een eland, zo staat het op de website van de FUN. Maar zelfs dat doet er niet toe. Hij is blij met zijn lievelingsknuffel.

Ik wens jullie een zalige kersttijd met cadeautjes en gebaren die er echt toe doen!

Koud koud koud Fins Lapland 2012

Geen zoentjes meer voor “de mannen”


Zot van het boekje, minder gek op knuffels 

De kleinkinderen zijn op weekend, het is avond. We beginnen aan ons leesmoment met drie op bed, één links van mij, één rechts van mij. De kussens rechtop als ruggensteun. Ze kiezen een Afrikaans prentenboekje uit de boekenkast “Gee my ’n drukkie!”. We wroeten er ons samen door. Het lukt als we ook de prenten ‘lezen’ om de betekenis van de woorden te vinden en we zoeken gelijkenissen met onze taal. Zo kunnen we samen die beschrijvende Afrikaanse woorden verstaan. Elvis die krimpvarkie se grootste begeerte is om in iemand se arm toegevou te word. Elvis is so prikkelrig soos ’n kaktus en so stekelig soos ’n skropborsel. Elvis soek na ’n drukkie. Kalvin Krokodil, gans te lelik, wat almar vir ’n soentjievra …  Op het einde van het boek komt alles goed, zoals dat meestal in boekjes gebeurt. Kalvin raap Elvis op in sy arms en gee hom die grootste drukkie ooit! Elvis gee ’n yslike vet soen. 

Een verrassend gesprek de volgende morgen 

De volgende morgen frissen we bij het ontbijt onze nieuwe woordenschat op. Hilariteit alom want we kennen nog baie veel woorden. Het verhaal gaat zijn weg in de gesprekken tussen mijn twee logeetjes. Even later komen ze samen mijn werkplek binnen en vertellen dat ze echt niet graag zoentjes krijgen van iedereen. Daarom gaan ze ook niet graag op bezoek bij … en … Jammer want die mensen menen het juist zo goed met hen. “En op school zijn er meisjes die ons elke morgen een zoen komen geven.” Ze rillen als ze het vertellen. We brainstormen samen over hoe we elkaar wel kunnen begroeten en zoeken meteen als grap enkele opschriftenvoor een T-shirt die de klassieke ‘free hugs’ kan vervangen. Door iedereen te laten betalen voor zoentjes kunnen ze knuffelend rijk worden. Gelukkig zijn ze niet zo kapitalistisch. 

Uiteindelijk beslissen ze om vanaf nu enkel high fives te geven, ingeleid door de stoere woorden: “Wij doen niet meer mee aan knuffels.”

Benieuwd hoe lang ze dat vol houden. Hun papa hield al heel vroeg terug van knuffels. Alles heeft een tijd.