Gesprek met mijn kleindochter, 10 jaar na CORONA

“Hope is a state of mind, not of the world. Hope in this deep and powerful sense, is… an ability to work for something because it is good.” – Vaclav Havel

wieg 3

Prioritair in mijn vakantieplanning: Het wiegje bekleden voor mijn kleindochtertje dat nu nog rustig in het rond stampt in de buik van haar mama. In gedachten spring ik 10 jaar verder en hoor haar vragen: ”Oma Lu, wat veranderde allemaal na de tijd dat alle mensen bang waren voor een klein, onzichtbaar virusje vlak voor ik werd geboren?

De 70-jarige ontspannen Oma Lu vertelt:

“Er was angst maar er was hoop en die hoop verspreidde zich als een nieuw virus in het hoofd van de mensen. Door de CORONA kwamen mensen tot het besef dat ze elkaar nodig hadden. Het virus dat overal rondvloog was onzichtbaar. We hadden elkaar nodig om onszelf en ieder andere te beschermen. Dat was iets nieuw want enkel als we goed zorg droegen voor onszelf en niet ziek werden, droegen we ook zorg voor de ander en eigenlijk voor iedereen want zo wonnen wij en niet het virus.

We stopten met vijanden zoeken en steeds de ander de schuld te geven. We wisten nooit wie de ziekmaker was. Daarom besloten we om er samen voor te gaan en hoopten samen dat de tijd van isolatie zo vlug mogelijk achter de rug zou zijn.

De mensen kregen meer respect voor elkaar. Ze deden wat de slimme wetenschappers vroegen; ze hielden afstand, bleven in hun huis en droegen zo verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor de ander. Tijdens de pandemie hadden ze weinig keuze, we werden goed gecontroleerd. Nadien deden mensen dat uit zichzelf, ze hielden ervan om respect en verantwoordelijkheid te geven en te krijgen. En toen stonden slimme leiders op en zij kregen ook vertrouwen in de mensen. Ze schaften heel veel regels en wetten af die totaal overbodig geworden waren.

Plots kregen mensen terug respect voor beroepen die ze daarvoor niet meer wilden doen. Terwijl iedereen thuis moest blijven waren de vuilnismannen nog altijd aan het werk. Mensen waren blij dat de straten proper bleven. En de verplegers en verzorgenden, ook jouw Opa Piet, zorgden voor de mensen die ziek en oud waren want die mensen waren het meest kwetsbaar. En de mensen hingen witte doeken buiten om de verzorgers te steunen die dagelijks met veel liefde en geduld de zieken verzorgden. Oude en zieke mensen mochten geen bezoek krijgen en daardoor zorgden mensen ervoor om elkaar anders te bereiken. Ze stuurden kaartjes, foto’s en gingen online met elkaar in gesprek. Mensen speelden muziek voor de verzorgingstehuizen om de mensen binnen gelukkig te maken.

We leerden uit de CORONA-tijd dat alles gerust trager en bewuster kon. In bedrijven, organisaties en zelfs in de politiek dachten mensen plots beter na voor ze veranderingen doorvoerden. Ieders mening werd plots belangrijk want enkel zo kan het respect voor elkaar blijven. Leiders hielden rekening met waarden, normen, behoeften en wensen van de mensen. Nadien werden minder mensen ziek omdat ze de zinvolheid van hun werk niet zagen of omdat ze te veel werk hadden.

Het aantal politiekers verminderde en veel organisaties die enkel controle uitoefenden werden afgeschaft. We kregen meer respect voor mensen die het werk deden en minder voor degene die het oplegden en controleerden. En de politiekers schreven enkel een wet uit als ze zeker waren dat die wet mensen beter en gelukkig zou maken en als de samenleving er als geheel beter van werd. Daarvoor werden mensen meer bevraagd zonder dat ze naar de stembus moesten en waren de politiekers verplicht om de bedoeling van hun wetten te verduidelijken. Vroeger zaten die politiekers zich te vervelen in de vergaderingen, ze speelden zelfs spelletjes of sliepen een beetje, zelfs als ze op tv kwamen. Nu moeten ze constant luisteren naar de mensen en hen overtuigen dat wat ze doen in het belang is van iedereen. Ze werken aan de dingen die het waard zijn om voor te werken, ze kiezen voor de dingen die echt goed zijn. En eindelijk spraken mensen niet meer over links en rechts, waar ik mij al zo lang aan ergerde.

En tijdens de crisis leerden we van thuis uit werken. Voorheen werden mensen dagelijks met de trein naar hun kantoren gebracht. Het leken soms beestenwagons en soms moest ik ’s morgens op de grond zitten omdat er gewoon geen plaats was. En op een trein was er eerste klasse en tweede klasse. De meeste mensen hadden een abonnement voor tweede klasse en mochten niet in eerste klasse, ook al zat daar niemand. Gelukkig schaften ze dat nadien af en kon iedereen zitten, zolang er plaats was. Maar toch koos ik om met de trein te pendelen want langs de autostrades stonden auto’s uren aan te schuiven en dat was verloren tijd. Op de trein kon ik nog praten met mensen, een boek lezen, blogs schrijven en ik heb er een pull voor jou gebreid want jouw mama was toen zwanger. Nadien hielden we vergaderingen op afstand. Ik kon vergaderen in de tuin, aan de zwemvijver en poes zat vaak op mijn schoot. En de vergaderingen duurden minder lang. Ze beperkten zich tot de essentie. Daardoor hadden we meer tijd om dingen te doen die we echt graag deden en die gezond waren. We gingen meer wandelen, we lazen boeken en we maakten tijd om met elkaar te praten.

Tijdens de coronatijd mochten we niet knuffelen om dat virus niet te verspreiden. Nadien leerden we de waarde van een knuffel kennen. We knuffelden en zoenden niet meer iedereen maar enkel degene die we echt graag zagen.

En eindelijk begrepen we echt wat Jezus bedoelde met ‘Bemin je naaste als jezelf’. Het was niet bemin eerst je naaste en dan jezelf zoals ze mij wijsmaakten maar bemin jezelf zodat je ook voor je naaste kan zorgen.”

Wilde Lucretia is een ongemanierd klein monster!

Dag 4 van de uitdaging om gedurende 10 dagen een boek voor te stellen.

Het boek dat ik nooit voorlas

“Wilde Lucretia is een ongemanierd klein monster” Dat is de eerste zin van het prentenboek dat geschikt is voor kinderen vanaf 6 jaar. Lucretia doet alles wat niet mag van boeren tot zichzelf volproppen met chocolade tot de klas op stelten zetten. Dat lukt haar omdat de andere kinderen in de klas ook keicool willen zijn. Papa Crum is een uitvinder en maakt dingen om zijn dochter in toom te houden, van bekzeep tot een kalmeerkooi. Dit alles maakt haar nog wilder. De ouders zien een oplossing in een heel wild feest met grote monsters die zelfs Lucretia bang maken. En Lucretia komt tot inzicht want ze wil geen groot monster worden, ze wordt een voorbeeldig engeltje. Het boek heeft wilde, humoristische, karikaturale tekeningen met veel gekke details die van het papier spatten. De tekeningen illustreren het verhaal maar wat een dom verhaal.

Eindelijk een boek over een meisje met mijn naam

Het is niet moeilijk te achterhalen waarom ik dit boek kocht toen ik mijn jongste voorlas, meer dan 15 jaar geleden. Toch las ik het niet voor en ik heb het boek nog nooit aan iemand voorgelezen, het zit diep in mijn boekenkast. Waarom? Omdat het boek enkel nadruk legt een kind met slecht gedrag, een wild stout kind. Ik zie de humor niet. Het verhaal is ook in strijd met alle basisprincipes van de kinderpsychologie. Voor mij sloeg de auteur de bal serieus mis. Het boek kreeg nochtans een nominatie van de Stichting Nederlandse Kinderjury.

Waarom ik het nooit voorlas?

Het boek leest voor mij als een slecht leerlingendossier. Alle tekorten van het kind staan er in en het kind is alleen verantwoordelijk voor zijn of haar gedrag. Volgende bijkomende gegevens staan eveneens in het boek en de schrijver doet er niets mee; Een papa die zich liever in zijn kelder bezighoudt met nieuwe ontdekkingen om zijn kind te temmen, een leerkracht die er niet in slaagt om het gedrag van het kind te duiden en haar klas in de hand te houden en een mama die een feestje met grote monsters organiseert om haar kind af te schrikken. Dan zijn er ook nog de andere ouders die hun eigen kinderen en Lucretia doodsbang maken. Kan een meisje zo stout zijn zonder reden? Kan een stout kind door een extra afwijzing een engeltje worden?

Daar geloof ik niets van. Voor mij is het meisje een rebel, een kind dat constant nieuwe dingen probeert. Ze is zeker een kind dat aandacht vraagt en doordat ze zoveel aandacht krijgt, gaan haar fratsen steeds verder. Negatieve aandacht is ook aandacht. Het boek bericht enkel over haar slechte eigenschappen en ik geloof dat achter elk gedrag positieve intenties zitten. Elk kind heeft talenten. De omgeving van Lucretia heeft daar weinig begrip voor omdat ze enkel een probleem zien. Is Lucretia een hoogsensitief kind zoals 15% van de mensen? Eentje dat heel veel indrukken opdoet omdat haar hersenen heel intens werken? Het staat bekend dat dergelijke kinderen orde en rust nodig hebben maar ook af en toe stoom moeten aflaten. Of misschien is ze net als haar vader een creatief kind dat steeds nieuwe ontdekkingen wil doen, grenzen wil verleggen? Of misschien heeft ze iets van haar moeder en is ze creatief in haar achterbaks-zijn? Hoe achterbaks kan een moeder zijn die haar dochters verjaardagsfeest saboteert? En die juf, heeft zij wel voldoende gezag om een creatief en grensverleggend kind te ondersteunen in haar ontwikkeling? Waarom vinden al die kinderen de fratsen van Lucretia interessanter dan de lessen van de juf? Als we om-denken ziet de situatie er helemaal anders uit.

Neem tijd en luister!

De eerste oplossing ligt voor mij in het luisteren naar dat meisje. Door mijn beroep mocht ik al veel boeiende gesprekken met leerlingen voeren. Ik leerde vooral luisteren naar hen want zij zijn doorgaans eerlijk en loyaal. Vaak zijn kinderen net diegene die de twee kanten van een medaille zien. Ze vertellen over een kind met gedragsmoeilijkheden op school maar ze durven ook de reacties van de volwassenen in vraag stellen.

Misschien moet ik het boek toch eens voorlezen aan de kleinkinderen en hen eenvoudigweg vragen of en hoe de volwassenen anders hadden kunnen reageren. Benieuwd wat zij zeggen en ik weet zeker dat mijn twee kleinzonen tot creatievere oplossingen zullen komen. Het is zeker een interessant boek voor volwassenen die het kind in de ‘Wilde Lucretia’ willen zien. Maar laat kinderen van 6 jaar naar echt leuke verhalen luisteren.

Van monster naar engeltje op een pedagogisch en psychologisch totaal onverantwoorde manier.

Anderlecht of Brugge?

Die knappe, intelligente, sportieve CEO met zijn zoetgevooisde stem of die andere?

Wie deze week de actualiteit volgde, kan niet naast “Anderlecht”. Ik kwam er vroeger vaak en in verschillende basisscholen die pretendeerden hofleverancier te zijn van de voetbalploeg. Dat wakkerde mijn interesse voor het voetbal niet aan. Voetbal, daar ken ik NIETS van.

De zomer van het wereldkampioenschap voetbal, waren de kleinkinderen hier op vakantie. Ze hebben gedurende hun verblijf maar twee dingen gedaan, of ze zaten in de vijver of ze voetbalden in hun rode tenues. Voor elk spel zongen ze, armen over elkaars schouders, de Brabançonne. In tegenstelling tot de meeste spelers en supporters kenden zij hun tekst wel. Geleerd van de andere opa. Ze probeerden mij de spelregels uit te leggen maar de moeite was tevergeefs. Hun geluk kon niet op toen onze opa Piet hen en hun ouders trakteerden op een wedstrijd op Club Brugge. Ik mocht mee, er was nog een kaart over.

Zelfs op een voetbalmatch kom ik mezelf tegen. Ik leerde er dat de supporters strikt gescheiden zaten. De match vorderde en voor ik goed wist hoe het spel gespeeld werd,  had Brugge al twee of drie goals gemaakt. Eupen had nog steeds een nul staan op dat groot scorebord.

Bij een bijna-goal van Eupen uitte ik spontaan mijn ontgoocheling, het kwam recht uit mijn hart. Dat is compassie. Een groepje mannen dat op de rij achter ons zat, sprak mij onmiddellijk aan: “Hela madammeke, ge zit hier op de verkeerde plaats, hier zitten de supporters van Brugge.” Kijk, zo ben ik. Ik supporter meestal voor de zwaksten, voor de mindere, voor diegene die achter staat. Toen ik “The Daily Show” van Trevor Noah nog dagelijks volgde kreeg ik medelijden met Trump omdat hij er dagelijks door de sarcastische molen van de democratische zender gedraaid werd. Als er te veel gekapt wordt op bepaalde mensen, krijg ik medelijden. Ik stopte met kijken om sympathie voor Trump te voorkomen.

Terug naar Brugge. Ik was dus gewaarschuwd dat ik vanaf mijn plaats niet moest supporteren voor de tegenpartij.

“Zeg madammeke, je had beter op de Anderlecht gezeten met uw kleren aan” hoor ik een opmerkzame man van het groepje roepen. De kleinkinderen sprongen hem onmiddellijk ter hulp en zeiden dat ik de kleuren van Anderlecht aan had. Ik droeg een wit kleed en paarse schoenen. Dat hadden ze mij ook op voorhand kunnen zeggen.

In de pauze hoorde ik dat het gesprek tussen de mannen achter ons Anderlecht ging. Ze vuurden op mij, als expert, een aantal vragen af, waar ik natuurlijk geen antwoord op wist. Mannen met gevoel voor humor, daar hou ik van. De volgende keer, als ik nog eens mee mag, ga ik toch meer op de vestimentaire geplogenheden letten.  

Ik weet nog steeds niets van voetbal maar sedert deze week weet ik wel wie de CEO van Anderlecht is.

Ik ben gewonnen voor Karel Van Eetveld, al heel lang. Hij heeft charisma, een prachtige stem, weet rust te bewaren in panelgesprekken, laat woorden en zinnen klinken als zeer logisch en aannemelijk en naast zeer intelligent is hij ook knap en sportief. Mocht ik dit lezen over mezelf, ik zou blozen. Blozen deed hij deze week, hij straalde op die foto in de krant. Het was duidelijk dat hij de job van zijn leven heeft.

En hoe zit het nu met zijn radicaal vernieuwende politieke beweging? En wie gaat de muren van de behoudsgezindheid proberen te slopen? Ik was onder de indruk van zijn visie op politiek, die ik recent mocht lezen in de krant en mocht horen in de Afspraak. Er is nood aan echte democratie, nood om de stem van de minderheid te horen, burgerinspraak. Ik kan er mij in vinden dat we politiek niet goed bezig zijn en dat veel mensen zich in de kou voelen staan. Meer nog, mensen haken af. Politiekers maken nog hun punt, laten journalisten oneliners koppen maar de mensen luisteren niet meer of slaan de bladzijde van de krant om. We horen het en gaan over naar de orde van de dag. Daarom was ik zo blij dat iemand als Karel Van Eetvelt wou ijveren voor een ommezwaai.

Voorlopig niet dus. Ik ben enigszins ontgoocheld maar als je de job van je leven vindt, dan ben je weg natuurlijk.

“Hij zal er wel moeten voor zorgen dat er goals gemaakt worden”, zei ik deze week nog tegen mijn man, “daar gaat voetbal toch over?” Het was mooi geweest om die match tegen Brugge van vandaag te winnen. Dat had kunnen tellen als start.  Jammer, ik had het hem gegund.

Laat de zon in je hart

Dinsdagavond tussen 5 en 6 uur en ik zit in een ontspannend bad vol schuim en heerlijke badolie. “Dit wordt een jaarlijkse traditie”. Het is oudejaarsavond en ik luister naar de finale van de duizend klassiekers. De radio staat oorverdovend luid. Beneden wacht nog een berg werk maar dit is mijn moment. Plots veer ik recht, ik roep mijn dochter die ik hoor op de overloop. “Willy Sommers staat op nummer 4!” Een complete verrassing.

Top 5 van de 1000 klassiekers

Of ik fan ben? Ik moet hier mijn woorden terugtrekken die ik enkele jaren geleden uitsprak over het niveau van grootouderfeesten in de school en meer specifiek in die van mijn kleinkinderen. Nu las ik in de krant dat Willy Sommers aanvankelijk zelf ook niet zo een fan was van het lied.

Het grootouderfeest van de kleinkinderen eindigde twee jaar op rij met zang en dans op “Laat de zon in je hart”. Grootouders, overgrootouders en kleinkinderen zongen samen in een te kleine en veel te warme parochiezaal. De eerste keer dat ik het hoorde, ik had nog mijn professionele pet op, dacht ik “Kunnen kinderen nu echt niet meer zelf zingen? Wat is de pedagogische meerwaarde van playbacken?” Ja, ik was ontgoocheld, toen.

Die zomer was ik aan zee met de kleinkinderen en ik zag hen volop meezingen met Willy Sommers die alleen op het podium stond en een hele dijk in beweging kreeg. Respect! De kleinkinderen kenden de tekst en melodie, door de vele repetities, en ik zag hen genieten van de live-versie. Natuurlijk smolt ik weg.

Het volgende jaar eindigde het grootoudersfeest precies op dezelfde manier. Maar ik keek ernaar met een andere bril en genoot mee. Dit is een lied dat mensen samen brengt. De melodie en de tekst zijn zo eenvoudig dat iedereen kan meezingen en de meesten deden dat. Mijn kleinzoon merkte wel op dat ik wel heel enthousiast meezong en -danste. Rondom mij zag ik stralende gezichten en bewegende lijven van mensjes en mensen tussen 2,5 en 90-plus.

Dit is verbinding. En dat is wat we onszelf en anderen wensen: geluk, genieten, plezier, een goeie gezondheid of korter gezegd, de zon in het hart.

Maar hoe komen mensen er toe om massaal op dit lied te stemmen? Dit moet een bewijs van het collectief bewustzijn van Jung zijn. Kort uitgelegd: Mensen beïnvloeden elkaar niet alleen met woorden maar ook via energie, via gedachten. Als we met z’n allen, ik niet voor alle duidelijkheid, stemmen voor “Laat de zon in je hart?”, wil dit zeggen dat we allemaal aan wat zonlicht en vreugde toe zijn. We komen er eindelijk achter dat een positieve kijk op het leven, een meezinger, een enthousiaste zanger en een eenvoudige tekst ons gelukkig maakt. Het wordt tijd dat we geloven in een positieve toekomst en dat we al de spelletjes die politiekers en andere machtsdragers spelen met als inzet ons geluk, beu echt beu zijn. Ik weet het, ik geef hier een persoonlijke draai aan want woorden als “het is het politieke spel” degouteren mij. Azijnpissers, neuten en zagemannen en -vrouwen evenzeer. En de echte zon zou ik liever wat meer zien.

Hoe meer ik denk aan de inhoud van het lied, hoe meer ik de waarde ervan zie. Misschien vervangt onze nationale ploeg het “Waar is dat feestje-lied” wel door “Laat de zon in je hart”. Een antwoord in de plaats van een retorische vraag.

Intussen is het jaar weeral op gang getrokken. De grootse plannen voor het volgend jaar liggen klaar, inclusief het nieuw dieet. Ik wens jullie allen de zon in het hart, dan ziet alles er veel beter uit. En nu weten we dat heel veel mensen er zo over denken. Meer moet dat voorlopig niet zijn.

Gingers unite

Meer kleur in de doffe wereld

Smelt smelt …

Hij liep te voetballen met zijn klasgenoten in zijn spiksplinternieuw pakje van onze nationale ploeg. We bekeken het tafereel met enkele vrouwen van op een afstand. ‘Kijk daar, mijn rode duivel”, zei ik heel spontaan en bijzonder fier. Plots merkte ik dat er een zekere verontwaardiging was omdat ik mijn kind met rood haar, een rode duivel noemde. Ik keek verwonderd want ik zei het zoals elke andere moeder haar kind, helemaal in het rood, zou noemen. Een oudere dame vond de situatie gênant en zei: “Je mag al blij zijn dat hij geen groen haar heeft.” Mijn verbazing bleef stijgen. Dwaas? Dom? Grappig?

Dit gebeurde meer dan 30 jaar geleden toen in de meeste scholen enkel blanke leerlingen school liepen, toen er nog weinig kinderen van vreemde origine waren, toen er nog geen M-decreet was en onze maatschappij niet zo divers was als nu.

Op kraambezoek met mijn zoontje, zag ik triestheid. Het verdriet ging over het roodharig kind dat in zijn wiegje lag. Een perfect gezond kind. Dat ging mijn verstand te boven en raakte mij heel diep. Ik heb mijn ventje nog eens heel goed vastgepakt.  

In mijn kindertijd heb ik het versje “Roste wat moet het koste om achter mijn kiekens te crosse…” horen scanderen, ook tegen mij omdat ik een rosse schijn in mijn haar had. De vrees dat roodharige kinderen gepest zouden worden, zat en zit er bij sommige ouders en grootouders in.

Het is totaal onterecht om dat pesten enkel aan het rode haar te wijten. Wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. Daarom moeten we alle kinderen weerbaar maken want iedereen heeft wel iets waar iemand grappen kan over maken. Maar niet alle grappen zijn kwaad bedoeld, dat moeten we ook voor ogen blijven houden.  

Roodharigen zijn zeldzaam net als kinderen die uitzonderlijk groot zijn, uitzonderlijk verstandig en kinderen die van een ander land of zelfs dorp afkomstig zijn. In kinderboeken zijn de roodharigen vaak de grappigste, de deugnieten, de kapoenen. Als het grappig bedoeld is, kan dat gerust maar laat andere haarkleuren ook eens die rol spelen.

In januari was ik vertederd toen de roodharige prins Harry een meisje kuste dat met een plakkaat in haar hand zijn aandacht trok “Gingers unite!” Hij gaf het vierjarig meisje een dikke knuffel.

Gisteren smolt mijn hart bij de foto van een neefje met heel mooie krullen. Rode krullen. Maar vandaag zag ik het bericht van een trieste en boze moeder  verschijnen op facebook.



Dit is niet fijn! Mag ik een warme oproep lanceren: “Gingers unite om bange en dwaze mensen op te roepen eindelijk eens NORMAAL te doen!” En breng vooral veel kleur in de wereld.

Meesterschap in onderwijs

Meesterschap

Nooit gedacht dat ik de directrice van de school waar ik mijn eerste interim deed en waarvoor ik later nog enkele jaren zou werken, zou bedanken in een column. Ze was streng voor mij, beginnende leerkracht. Ik startte in het eerste leerjaar in september. Het leerjaar waar ik het meeste schrik voor had omdat we zo veel geleerd hadden over de belangrijkheid van de lees-, reken- en schrijfvoorwaarden in de lerarenopleiding. Ik dacht dat ik al veel wist maar kreeg daar niet de bevestiging van, integendeel. Ze maande de leerlingen aan om recht te zitten en de juiste schrijfhouding aan te nemen. Ze observeerde de lessen, dacht mee en zei vooral wat beter en anders kon. Ze eiste een overzichtelijk bordschema in kleur met een perfect bordschrift en controleerde de klaswanden. Ze wou dat de letterdoos klaar stond voor elke les zodat leerlingen niet verward raakten in de vele letters die ze nog niet kenden. Ze wou dat kinderen de tekst volgden met de vinger om zeker te zijn dat ze de tekst niet van buiten gingen papegaaien. Kortom, ze wou dat ik kinderen ondersteunde in hun aanvankelijk leerproces en hen daartoe de nodige structuur bood. Ze legde onmiddellijk de plooi voor een stiel die ik graag gedaan heb en waarin ik mij jaren later in specialiseerde: de overgang van de kleuterklas naar het eerste leerjaar.

Lesgeven vraagt meesterschap

Leerling

“Lesgeven in de eerste graad is een stiel”, zeg ik tegen leerkrachten van de eerste graad. Bij eentje staat het schreien nader dan het lachen, de andere lijkt meer bereid om mee te gaan in onze vaststellingen. “Het is een meesterschap dat je gaandeweg moet leren, met vallen en opstaan”. Mijn collega is net als ik een ervaringsdeskundige in de eerste graad. We troosten hen door te zeggen dat wij ook op de vingers getikt werden, wij ook moesten bijleren, ook bleven proberen om uiteindelijk tot resultaat te komen. De jonge leerkrachten lachen even. We reflecteren verder over hoe zij de hiaten in de didactische aanpak kunnen bijsturen en hoe zij leerlingen verder kunnen ondersteunen om tot betere resultaten te komen. Het eerste leerjaar is cruciaal in de onderwijscarrière. Het is dat ene moment waarop ze schoolrijp of bijna-schoolrijp zijn, het ideale moment om te leren lezen, rekenen en schrijven. En dat moment is kostbaar want het komt nooit meer terug.

Het proces van schoolrijpheid

Intentioneel leren vraagt inspanningen van de lerende maar ook van de leerkracht. Hij of zij moet de leerinhouden op een overzichtelijke en logische manier aanbrengen, oefenen, een stapje terugzetten, weer een stapje verder gaan, het eens op een andere manier proberen … Voor sommige kinderen lijkt lezen een natuurlijk proces. Ze lezen woorden globaal, uit herkenning maar beschikken ze over alle deelvaardigheden om tot lezen te komen? Slagen ze er visueel en auditief ook in om andere woorden te analyseren en te synthetiseren? Kinderen verdienen dat dit proces systematisch gebeurt met respect voor hun gevoelige leeftijd want niet alle kinderen zijn voldoende schoolrijp in het jaar dat ze zes jaar worden. Sommigen zijn pas enkele maanden later klaar en het schooljaar loopt verder. En er is zoveel dat we moeten ondersteunen tijdens die cruciale maanden: de lees-, reken- en schrijfvaardigheden, het metacognitief bewustzijn, de zelfsturing, de concentratie, uit de egocentriciteit stappen … Sommige kinderen zijn qua mentaliteit en rijpheid nog kleuters in het eerste leerjaar en dit vraagt een specifieke aanpak.

Leren lesgeven in het eerste leerjaar

Op een onderwijsconferentie in Londen hoorde ik dat Schotse studenten van de lerarenopleiding voor het secundair onderwijs stage moesten lopen in het eerste leerjaar omdat ze daar duidelijk konden zien hoe ze het proces van intentioneel leren kunnen ondersteunen. De verschillende fasen van leren zijn duidelijk en je leert er een klas managen. Terwijl het ene kind in het eerste leerjaar erin slaagt om zijn potlood te vinden, heeft de andere een volledig blad oefeningen gemaakt. Terwijl je aan de hele groep een boodschap geeft, moet je aan Lieveke diezelfde boodschap nog eens herhalen want een boodschap voor de volle klas interpreteert zij niet als een persoonlijke boodschap.

Iedereen leraar?

Ik krijg eind september een paniekerige telefoon van de andere kant van het land. Of ik tijd heb om in het weekend langs te komen.  Onze kleinzoon heeft moeilijkheden met lezen en de juf vraagt aan de ouders om te oefenen.

We zoeken een rustig plekje. Papa en mama kijken over de schouders mee, oma noteert elke stap die ik zet want zij vangt hem vaak op na vier uur en ze wil weten hoe ze hem kan helpen. We oefenen de letters. Ze zijn gekend. Visuele discriminatie is geen probleem. Auditieve analyse en synthese lukt moeilijker bij deze jongen die geboren werd eind november. We maken er een spelletje van en oefenen. Dikke duimen verhogen zijn competentiegevoel en hij begrijpt de systematiek van het analyseren van woorden in letters en hoe hij de synthese van letters tot een nieuw woord kan maken. Vooral zijn zelfvertrouwen is gegroeid.  Onze leerling mag buiten skeeleren en ik leg nog even uit aan mijn schoondochter en zoon en aan oma hoe ze hem in de toekomst kunnen helpen. De volgende dag krijg ik telefoon. Het lukt al beter. Hoe ik dat kan? Omdat het mijn stiel is, was.

Te hoge verwachtingen voor ouders

Soms verwachten scholen dat ouders kinderen kunnen ondersteunen in hun leerproces. Enkel ouders die de stielkennis hebben, kunnen kinderen helpen in dat aanvankelijk leerproces. Dit leren moet op school gebeuren, bij de vakmensen. Jammer toch dat leerkrachten zich niet altijd bewust zijn van hun vakmanschap en zich te weinig bewust zijn hoe uniek en waardevol dat is. Meesterschap moet je oefenen en koesteren.

Wat je zelf kan, doe je soms beter


“Finnen putten plezier uit het gewone, het dagelijkse, de natuur. Ze krijgen meer wilskracht en een hogere motivatie door dingen die ze zelf kunnen doen, zelf te doen. En dat doen ze met moed, kracht en vastberadenheid, met SISU”. Dat lees ik in een boekje over de levenswijze van de Finnen, dat ik net ophaalde in de bibliotheek hier in Nieuwpoort. Finland is een land waar ik een paar keer te gast mocht zijn, onder andere om er het beste onderwijs van de wereld te leren kennen. En ook dat heeft vooral te maken met hun eenvoudige, logische, natuurlijke en praktische manier van leven.

SISU herken ik in mijn eigen opvoeding en ook in de opvoeding die Piet en ik onze kinderen hebben gegeven. Ik herken het zeker in mijn vastberadenheid en soms koppigheid om dingen die iedereen beter kan, toch zelf te doen.

Zo ben of was ik fier op het feit dat ik de kinderen zelf leerde autorijden. Het fantastische gevoel daarbij kwam vooral achteraf toen ze, soms na een herkansing, eindelijk dat rijbewijs haalden.

Ik heb doodsangsten uitgestaan toen ze plots midden een straat bij het afslaan stil vielen en er een auto onze kant op kwam. Maar ik zag het ook als een uitdaging om hen bij elke rit iets nieuws te leren. “In Brussel neem ik wel over, tot daar is het rechte baan”, zei ik tegen de tweede die pas enkele weken reed en uiteindelijk reed ze de rit uit, inclusief de Brusselse tunnels.

Het waren boeiende en interessante ritten. We leerden elkaar beter kennen op het moment dat zij net iets meer afstand namen van thuis. We zaten uren samen in de auto en naarmate het automatisatieproces van het rijden vorderde, was er ook tijd voor leuke gesprekken. Ze woonden alle drie al op kot toen ik hen leerde autorijden en ik mocht meegenieten van hun leven in Gent of Brussel gedurende de vele leuke gesprekken .

Ik ben zelf geen uitgesproken goeie chauffeur. Ik kan het redelijk goed uitleggen maar ben mij er van bewust dat ik, zeker als er een praatgraag of interessant iemand naast mij zit, nogal eens verstrooid kan zijn. Non-verbaal werd dit mij al meerdere keren gemeld. Sommigen remmen mee, anderen houden preventief de handen klaar om het dashboard vast te grijpen, in geval het nodig zou kunnen zijn.

Doordat ik de kinderen leerde auto rijden, ken ik ook hun rijstijlen en deze verschillen. De ene heeft een vastere hand aan het stuur dan de andere. De ene is vlugger afgeleid dan de andere, de ene is technisch sterker in het parkeren dan de andere, ook al hadden ze dezelfde meester.

Het bijzitten in de examens was zwaar. Ik voelde mij gefaald als zij een fout maakten en de stress van de begeleider is groter dan die van de chauffeur want die heeft op dat moment geen tijd om zich zenuwachtig te maken.

En dan… Op een zondag reden de kleinzonen mee met mij. Uit het niets zei de oudste van op de achterband “Omalu, je had papa beter met de auto moeten leren rijden”. Ik schrik en vraag waarom hij dat zegt. “Papa zegt dat jij hem leerde rijden.” Van op de achterbank hadden zij het gesprek gehoord tussen hun ouders. Een scenario waar we ons allemaal in herkennen: “Zeg, wie heeft jou leren met de auto rijden? “ Antwoord: “Mijn moeder.”

Zo zijn mijn kleinkinderen; ze zijn eerlijk, oplossingsgericht en praten tegen de juiste persoon. Mijn schoondochter en zoon ontkenden niets. Ze keken wel verwonderd toen ze hoorden dat hun zoon erover verteld had.

Hoe dat rijgedrag nu nog moet bijgestuurd worden, weet ik niet en ik hou er mijn handen af. Ik heb mijn SISU getoond tot de dag van hun rijbewijs. Nu zijn ze zelf verantwoordelijk.

Moraal van het verhaal: Let altijd op wie op de achterbank zit, het zou wel een probleemoplossend en eerlijk kind kunnen zijn.

Het rendier


Er ontbrak nog één cadeautje onder de kerstboom, dat van onze jongste kleinzoon. Hij is er intussen 5. Ik had echt geen idee wat hem blij kon maken en dus ik vroeg het hem op de man af.

‘Een rendier.’ ‘Zoals de kerstman? ‘ ‘Ja!’

Ik dacht dat het een grap was maar zijn broer fluisterde onmiddellijk in mijn oor dat je dat kunt kopen in de Fun. Ik vond er één. Op mijn weg naar de kassa sprak ik drie winkelgasten aan om te weten of dit nu wel een rendier was. ‘Absoluut’. ‘Niet twijfelen’.

Op kerstavond ging het pakje van amper 9 euro open. De vreugde kon niet op. ‘Dit wordt mijn lievelingsknuffel’. We horen hem de hele avond niet meer. Het rendier gaat mee naar bed, veel te laat maar rendieren zijn gehard in het leven door ergere dingen dan slaapgebrek.

Op kerstdag zijn ze zijn weer veel te vroeg wakker. We kijken samen naar een BBC natuurdocumentaire over rendieren terwijl de mama en papa wat slaap inhalen. Mijn voorzienigheid als oma en schooljuffrouw zorgde ervoor dat we met z’n drieën, de twee broers en ik een waardevol maar heel gezellig pedagogisch momentje meemaken. We krijgen een dipje wanneer we horen dat wolven en lynxen  jaarlijks, in Fins Lapland alleen, 20 000 rendieren opeten. Terloops zegt onze jongste dat hij later naar Lapland wil gaan en dat ik mee mag. Ik voel mij vereerd.

Ze vertellen aan ontbijttafel bij het heerlijk Italiaans kerstgebak, dat achteraf een dessert bleek te zijn, verder over het leven van rendieren. Mijn zoon twijfelt of zijn zoons rendier geen eland is maar dat is een zinloos detail. Onze kleinzoon reist constant naar een fantasiewereld met kerstmannen, heel veel rendieren en een invoerverbod voor wolven en lynxen.

We halen het fotoalbum van onze reis naar Lapland boven en raden onze zoon en schoondochter aan om toch eens op reis te gaan naar het Hoge Noorden. Als ze bijna enthousiast zijn vraag ik ook aan de kleinkinderen of ze daar graag naartoe zouden gaan. ‘Is het daar koud?’ ‘Is dat ver?’’Is het daar donker?’

Drie keer “ja” als antwoord zorgt ervoor dat de jongste zijn neusje optrekt en resoluut van neen schudt.

En dat gebaar doet mij beseffen dat als een kind een rendier vraagt, het enkel over een rendier gaat en niet over een dure reis naar Lapland.

Hij geniet van zijn knuffel, maakt plannen om een legostal te bouwen en houdt het dier de hele namiddag in zijn hand. Intussen zit hij in gedachten bij de rendieren, de kerstman, de sneeuw en is hij fysiek heel dicht bij huis waar hij het liefst is en blijft.

Deze morgen kreeg ik telefoon. Het rendier is een eland, zo staat het op de website van de FUN. Maar zelfs dat doet er niet toe. Hij is blij met zijn lievelingsknuffel.

Ik wens jullie een zalige kersttijd met cadeautjes en gebaren die er echt toe doen!

Koud koud koud Fins Lapland 2012

Geen knuffels meer voor “de mannen”


Zot van het boekje, minder gek op knuffels 

De kleinkinderen zijn op weekend, het is avond. We beginnen aan ons leesmoment met drie op bed, één links van mij, één rechts van mij. De kussens rechtop als ruggensteun. Ze kiezen een Afrikaans prentenboekje uit de boekenkast “Gee my ’n drukkie!”. We wroeten er ons samen door. Het lukt als we ook de prenten ‘lezen’ om de betekenis van de woorden te vinden en we zoeken gelijkenissen met onze taal. Zo kunnen we samen die beschrijvende Afrikaanse woorden verstaan. Elvis die krimpvarkie se grootste begeerte is om in iemand se arm toegevou te word. Elvis is so prikkelrig soos ’n kaktus en so stekelig soos ’n skropborsel. Elvis soek na ’n drukkie. Kalvin Krokodil, gans te lelik, wat almar vir ’n soentjievra …  Op het einde van het boek komt alles goed, zoals dat meestal in boekjes gebeurt. Kalvin raap Elvis op in sy arms en gee hom die grootste drukkie ooit! Elvis gee ’n yslike vet soen. 

Een verrassend gesprek de volgende morgen 

De volgende morgen frissen we bij het ontbijt onze nieuwe woordenschat op. Hilariteit alom want we kennen nog baie veel woorden. Het verhaal gaat zijn weg in de gesprekken tussen mijn twee logeetjes. Even later komen ze samen mijn werkplek binnen en vertellen dat ze echt niet graag zoentjes krijgen van iedereen. Daarom gaan ze ook niet graag op bezoek bij … en … Jammer want die mensen menen het juist zo goed met hen. “En op school zijn er meisjes die ons elke morgen een zoen komen geven.” Ze rillen als ze het vertellen. We brainstormen samen over hoe we elkaar wel kunnen begroeten en zoeken meteen als grap enkele opschriftenvoor een T-shirt die de klassieke ‘free hugs’ kan vervangen. Door iedereen te laten betalen voor zoentjes kunnen ze knuffelend rijk worden. Gelukkig zijn ze niet zo kapitalistisch. 

Uiteindelijk beslissen ze om vanaf nu enkel high fives te geven, ingeleid door de stoere woorden: “Wij doen niet meer mee aan knuffels.”

Benieuwd hoe lang ze dat vol houden. Hun papa hield al heel vroeg terug van knuffels. Alles heeft een tijd.