Terug naar de bron, naar de klasvloer

Lang voor CORONA vroeg ik mij af waar de gewone beroepen gebleven waren. De beroepen waarbij je op het einde van de dag concreet kan zien wat je gedaan hebt en met welk resultaat. Beroepen als houtbewerker; je maakte drie stoelen. Elektricien; elektriciteit gelegd op een hele zolderverdieping. Vloerder; twee vloeren gelegd. Bakker, beenhouwer, zorgkundige, verpleger, leerkracht…  Beroepen waarvan je weet wat het inhoudt, waar je je iets kan bij voorstellen als mensen hun beroep vermelden. In mijn perceptie zijn dat vaak ook beroepen die mensen echt graag doen, juist omdat ze het effect van hun werk vrijwel onmiddellijk zien. En laat dit nu net de beroepen zijn die (in bepaalde kringen) niet de maatschappelijke waardering krijgen die ze verdienen. Beroepen waar een tekort aan is, knelpuntberoepen.

Scholen die deze opleidingen aanbieden, moeten jaarlijks een publiciteitscampagne voeren om studenten te trekken. En toch zijn we zo blij dat het lek in de leiding gestopt is en zijn we vol lof over de verzorging die we kregen in een ziekenhuis of dankbaar voor die ene juf die ons (klein)kind weer zelfvertrouwen gaf. Voor een aantal van de opgesomde beroepen zorgde tante CORONA voor meer respect. Hopelijk is dat niet tijdelijk. 

Titels van beroepen waar je je niets kan bij voorstellen

Ook aan mij vragen mensen soms wat ik eigenlijk doe. Dat zijn dan mensen buiten het onderwijs die de onderwijsinspectie nog niet over de vloer kregen. Wij controleren, motiveren, stimuleren, evalueren verschillende processen, reflecteren, beoordelen, schrijven rapporten en discussienota’s, adviseren … en dat op verschillende terreinen. Probeer dit maar eens uit te leggen in een elevatorspeech. Dat laatste is de sprekende naam voor – als ge langer nodig hebt om iets uit te leggen dan de tijd dat je met de lift van beneden naar boven gaat, herdenk het want het is te moeilijk, te ingewikkeld.

De ouders van onze kleinkinderen hebben alle vier een beroep dat je niet kan uitleggen in de tijd dat de lift je een paar verdiepingen hoger brengt. Onze oudste kinderen hadden in de lagere school ouders met heel eenvoudige beroepen. Ik gaf les en Piet werkte als verpleger in een psychiatrische instelling.  “Papa werkt bij de zottekes” zei onze zoon. En zo vlug het kon zei hij er achter “maar ik mag niet zottekes zeggen”. In de manier waarop hij het zei, zat de duidelijke boodschap dat niemand met psychische patiënten mocht lachen.  

En toen veranderde mama van werk

Toen Anna, onze jongste en veel jonger dan de twee oudste, in het vijfde leerjaar zat, werkte ik bij de onderwijsinspectie. De juf nodigde ouders uit om over hun beroep te komen vertellen. Ik kreeg gelukkig een volledig uur. Toen ik vertelde dat je als onderwijsinspecteur vooral heel nieuwsgierig moest zijn en heel veel vragen moest stellen, zag de klas de gelijkenis tussen mij en mijn dochter. Op het einde zei een zeer opmerkzame en pientere klasgenoot: ‘Dat zou ik ook wel willen doen, leerkrachten ambeteren.’ Enkel de juf vond dit niet grappig, of toch, ze kende hem.

Tante CORONA brengt ons terug naar de essentie.

In deze hectische tijden krijgen wij de kans om een deel van onze werktijd te ondersteunen in scholen. Mijn keuze was vlug gemaakt. Ja, graag! Geen controle, geen adviezen, enkel werken met kinderen die door CORONA ondanks alle inspanningen een achterstand opliepen. Ik zie het absoluut zitten en de reacties van mijn huisgenoten zijn ronduit positief. De oudsten hadden een déjà vu. “Tof mama dat je opnieuw gaat lesgeven”. “Een goede leider vecht tussen zijn soldaten” schreef mijn zoon van wie ik nog vaak de indruk heb dat hij als “Finance SA  Project Controller” in de cijfers die hij op het werk analyseert vijanden, spionnen en soldaatjes ziet. Hij had altijd veel fantasie. De spontane reacties binnen ons WhatsApp groepje deden deugd. De kleinkinderen vinden het ook fantastisch, omalu als juffrouw.  Mijn kersverse schoonzoon belde dat het goed is om terug te gaan naar de basis, om te herbronnen.   

Reacties van kinderen en kleinkinderen

De reacties van mijn gezin zijn voor mij het bewijs dat lesgevers gewaardeerd worden. Ik herinner mij nog een gesprek met een vorige inspecteur-generaal die op het einde van zijn carrière zei dat hij meest plezier had gehad aan het lesgeven maar dat een mens vooruit wil in het leven en wij vaak onvoldoende stil staan bij dat wat ons echt gelukkig maakt. Deze kans voelt als een cirkel die rond is, beginnen in een klas bij de leerlingen en daar eindigen. Dat klopt niet echt want ik kan nog niet met pensioen. Maar het is mooi meegenomen. Na 26 jaar kan ik aan de lijve ondervinden of de kinderen inderdaad zoveel veranderd zijn. Iets wat ik wel vaker hoor.  

Vandaag maak ik mijn voorbereidingen, morgen pak ik mijn boekentas en vertrek ik met de fiets naar school. Net als vroeger. Ik zie er echt naar uit. Terug naar de school waar ik mijn stages liep, waar mijn zoon zat en waar nog oud-collega’s van mij werken. Het voelt als terug naar mijn bron gaan.

Mijn laatste volledig jaar als leerkracht 93-94

Over oorlog, pesten en mensen die toch deugen

maten makkers

De meeste mensen deugen. Toch doen ze slechte dingen omdat ze denken dat ze goed doen. Dat is de voorlopige conclusie van Rutger Bregman in het boek “De meeste mensen deugen” en ik las al 11 hoofdstukken van de 17!

Soldaten willen niet doden

Wat een schat aan rijke inzichten krijgen we door het boek. Neem nu de onderzochte info over soldaten. Uit onderzoek uit beide wereldoorlogen blijkt dat soldaten 95% van de tijd in de loopgraven niet schoten. Ze hielden zich bezig. Anderen schoten net boven het hoofd van de vijand om hem zeker niet te raken. De meeste mensen willen niet doden. De auteur analyseerde de studies van de meest gruwelijke zaken die gebeurden in de vorige eeuw, de vechtlust van de Duitse soldaten en de holocaust. Duitse soldaten vochten 50% meer en beter dan alle andere soldaten van de geallieerden. Uit gesprekken met Duitse krijgsgevangenen bleek niet dat ze vochten tegen de Joden, voor een ideologie noch voor het vaderland. Ze vochten voor elkaar, ze vochten voor de vriendschap. Ze vochten voor hun maten. Dat hadden de Duitse bevelhebbers goed gezien. Als er vriendschap is onder de soldaten, vechten ze voor elkaar. Soldaten weigerden promoties omdat ze hun makkers niet in de steek wilden laten, ze vochten om hun makkers te verdedigen tegen de vijand. Vriendschap heeft ook nadelen, als je voor je vrienden bent, ben je tegen de anderen.

Kleuters maken groepen als de omgeving er om vraagt

Mensen willen goed doen maar soms nodigt de omgeving uit om een kamp te kiezen en daar gaan we dan op in. Onderzoekers gaven een groep kleuters blauwe en rode T-shirts. Er werd niets gezegd, geen uitleg, gewoon twee kleuren van T-shirts. Na een tijdje gingen de kleuters effectief twee groepen vormen, per kleur. Ze zetten zich ook effectief tegen elkaar af en beslisten dat de andere kleur niet meer mocht meespelen.

Leerlingen deugen

En hoe zit het dan in klassen? Ik voel al lang ergernis bij de goede bedoelingen van leraren om kinderen op te splitsen in niveaugroepen. Je leest goed, goede bedoelingen want er zijn voordelen aan kunnen leren op eigen niveau. Maar wat met de nadelen? Mijn ergernis richt zich vooral op klassen/scholen waar leerlingen in een vaste niveaugroep zitten. Leerlingen horen bij de A-groep omdat ze een kei in wiskunde zijn, bij de B-groep omdat ze middelmatig scoren en bij de C-groep omdat ze uitleg nodig hebben of andere, eenvoudiger oefeningen maken. Het is een hele eer voor de ouders dat je kind voor alles bij de A-groep zit en die A – leerlingen zijn daar ook wel best fier op. Maar is dat ook het beste voor het kind, voor de klas, voor zijn/haar sociaal leven? In sommige klassen splitsen leerkrachten leerlingen op in leeuwen, tijgers en bongo’s of andere dieren om het stigma van sterk en zwak te voorkomen. In gesprekken met de leerlingen horen we toch steevast spreken over ‘de sterke en de zwakke voor wiskunde’. Kinderen hebben dat door, natuurlijk.

Het boek ‘De meeste mensen deugen’ levert mij nogmaals het bewijs aan dat het geen voordeel is voor een kind, een kleuter of een leerling om lang in een vaste groep te zitten. Vaste groepen zetten zich af tegen elkaar af. De mensen deugen maar de organisatie van mensen zorgt er voor dat mensen zich tegen elkaar afzetten.

En hoe gaan we dat dan oplossen?

Dat vaste niveaugroepen in klassen nefast zijn, daar heeft de auteur het niet over, dat concludeer ik. Moeten kinderen hun talenten onder de korenmaat steken? In geen geval. Er zijn andere manieren om samen tot leren te komen in een klas. Vriendschap! Vriendschap zorgde ervoor dat Duitse soldaten hun leven gaven in een zinloze strijd. Duitse officieren zorgden er bewust voor dat er tijd was voor de nieuwe soldaten om elkaar beter te leren kennen, om gelijkenissen te vinden, vriendschap te sluiten, veiligheid bij elkaar te ervaren. Door meer aandacht te geven aan de vriendschap; elkaar leren kennen, samen-activiteiten doen, positieve eigenschappen in elkaar naar boven halen, samen spelen, kunnen leerlingen ook komen tot het belangrijkste binnen onderwijs, samen tot ontwikkeling komen, samen graag leren, samen goeie resultaten boeken.
Vrienden laten elkaar niet in de steek. Een klasgenoot die een oefening niet begrijpt, laat je ook niet in de steek, je legt hem die oefening met plezier uit. En ieder heeft een talent waar je een ander mee van dienst kan zijn. Vriendschap is veel meer dan samen spelen, het is ook elkaars talenten en vaardigheden waarderen, inzichten delen en elkaar helpen waar hulp nodig is. Aandacht geven aan de vriendschap is heel veel tijd en geluk winnen.

Gij kunt da niet!

Ik zat achteraan de klas en een vlijtige leerkracht las na de les voor welke leerlingen alleen moesten werken zonder materiaal, welke met materiaal en welke aan haar tafel moesten zitten voor een her-instructie. ‘Juf, ik kan dat’, riep een jongen, ‘mag ik alleen werken?’ ‘Gij kunt da niet!’ antwoordde de juf die heel haar voorbereiding in duigen zag vallen. Mijn hart brak want het was echt geen moeilijke les. Het waren oefeningen die iedereen moest kunnen oplossen, na de degelijke instructie die de klas kreeg. De juf had niets dan goeie bedoelingen maar …

Er is niets fout om leerlingen oefeningen te geven volgens hun eigen niveau maar betrek hen bij dit proces. Leerkrachten, wacht ten minste tot na de les om na te gaan wie alleen verder kan en wie hulp nodig heeft. En vooral, beslis dat niet alleen, vraag het de leerlingen. De meeste leerlingen deugen en geven dat in alle eerlijkheid toe. Wie de oefening alleen kan maken, die maakt ze alleen, wie liever met twee werkt, zoekt een makker en ze helpen elkaar en wie hulp van de leraar nodig heeft, kan die vragen. Fouten maken mag dus uitleg vragen zeker.
“En als ze dan denken dat ze het kunnen en ze er niets van bakken?” vraagt een bezorgde leerkracht, goed bedoeld. Dan vragen ze het toch aan elkaar, het zijn immers vrienden en vrienden doen dat graag voor elkaar. De sfeer en de energie in de klas is op slag anders.

Week tegen pesten

In afwachting van de week van de vriendschap, is 14 tot 21 februari 2020 nog steeds de week tegen pesten.
Samen zingen brengt mensen samen, de move tegen pesten heeft zijn waarde maar vriendschap staat daar volledig boven. Vriendschap is de basis voor betere resultaten en gelukkiger leerlingen en leerkrachten.

Rutger-Bregman-De-meeste-mensen-deugen-195x300

Wilde Lucretia is een ongemanierd klein monster!

Dag 4 van de uitdaging om gedurende 10 dagen een boek voor te stellen.

Het boek dat ik nooit voorlas

“Wilde Lucretia is een ongemanierd klein monster” Dat is de eerste zin van het prentenboek dat geschikt is voor kinderen vanaf 6 jaar. Lucretia doet alles wat niet mag van boeren tot zichzelf volproppen met chocolade tot de klas op stelten zetten. Dat lukt haar omdat de andere kinderen in de klas ook keicool willen zijn. Papa Crum is een uitvinder en maakt dingen om zijn dochter in toom te houden, van bekzeep tot een kalmeerkooi. Dit alles maakt haar nog wilder. De ouders zien een oplossing in een heel wild feest met grote monsters die zelfs Lucretia bang maken. En Lucretia komt tot inzicht want ze wil geen groot monster worden, ze wordt een voorbeeldig engeltje. Het boek heeft wilde, humoristische, karikaturale tekeningen met veel gekke details die van het papier spatten. De tekeningen illustreren het verhaal maar wat een dom verhaal.

Eindelijk een boek over een meisje met mijn naam

Het is niet moeilijk te achterhalen waarom ik dit boek kocht toen ik mijn jongste voorlas, meer dan 15 jaar geleden. Toch las ik het niet voor en ik heb het boek nog nooit aan iemand voorgelezen, het zit diep in mijn boekenkast. Waarom? Omdat het boek enkel nadruk legt een kind met slecht gedrag, een wild stout kind. Ik zie de humor niet. Het verhaal is ook in strijd met alle basisprincipes van de kinderpsychologie. Voor mij sloeg de auteur de bal serieus mis. Het boek kreeg nochtans een nominatie van de Stichting Nederlandse Kinderjury.

Waarom ik het nooit voorlas?

Het boek leest voor mij als een slecht leerlingendossier. Alle tekorten van het kind staan er in en het kind is alleen verantwoordelijk voor zijn of haar gedrag. Volgende bijkomende gegevens staan eveneens in het boek en de schrijver doet er niets mee; Een papa die zich liever in zijn kelder bezighoudt met nieuwe ontdekkingen om zijn kind te temmen, een leerkracht die er niet in slaagt om het gedrag van het kind te duiden en haar klas in de hand te houden en een mama die een feestje met grote monsters organiseert om haar kind af te schrikken. Dan zijn er ook nog de andere ouders die hun eigen kinderen en Lucretia doodsbang maken. Kan een meisje zo stout zijn zonder reden? Kan een stout kind door een extra afwijzing een engeltje worden?

Daar geloof ik niets van. Voor mij is het meisje een rebel, een kind dat constant nieuwe dingen probeert. Ze is zeker een kind dat aandacht vraagt en doordat ze zoveel aandacht krijgt, gaan haar fratsen steeds verder. Negatieve aandacht is ook aandacht. Het boek bericht enkel over haar slechte eigenschappen en ik geloof dat achter elk gedrag positieve intenties zitten. Elk kind heeft talenten. De omgeving van Lucretia heeft daar weinig begrip voor omdat ze enkel een probleem zien. Is Lucretia een hoogsensitief kind zoals 15% van de mensen? Eentje dat heel veel indrukken opdoet omdat haar hersenen heel intens werken? Het staat bekend dat dergelijke kinderen orde en rust nodig hebben maar ook af en toe stoom moeten aflaten. Of misschien is ze net als haar vader een creatief kind dat steeds nieuwe ontdekkingen wil doen, grenzen wil verleggen? Of misschien heeft ze iets van haar moeder en is ze creatief in haar achterbaks-zijn? Hoe achterbaks kan een moeder zijn die haar dochters verjaardagsfeest saboteert? En die juf, heeft zij wel voldoende gezag om een creatief en grensverleggend kind te ondersteunen in haar ontwikkeling? Waarom vinden al die kinderen de fratsen van Lucretia interessanter dan de lessen van de juf? Als we om-denken ziet de situatie er helemaal anders uit.

Neem tijd en luister!

De eerste oplossing ligt voor mij in het luisteren naar dat meisje. Door mijn beroep mocht ik al veel boeiende gesprekken met leerlingen voeren. Ik leerde vooral luisteren naar hen want zij zijn doorgaans eerlijk en loyaal. Vaak zijn kinderen net diegene die de twee kanten van een medaille zien. Ze vertellen over een kind met gedragsmoeilijkheden op school maar ze durven ook de reacties van de volwassenen in vraag stellen.

Misschien moet ik het boek toch eens voorlezen aan de kleinkinderen en hen eenvoudigweg vragen of en hoe de volwassenen anders hadden kunnen reageren. Benieuwd wat zij zeggen en ik weet zeker dat mijn twee kleinzonen tot creatievere oplossingen zullen komen. Het is zeker een interessant boek voor volwassenen die het kind in de ‘Wilde Lucretia’ willen zien. Maar laat kinderen van 6 jaar naar echt leuke verhalen luisteren.

Van monster naar engeltje op een pedagogisch en psychologisch totaal onverantwoorde manier.

Die laatstejaarsreis

De laatstejaarsreis tijdens de paasvakantie

Aan een tafeltje op de Piazza Pitti in Firenze, zaten ze gezellig te keuvelen over hun toekomstplannen, vier jongens. Op de tafel staan vier lege potjes van gelati en een grote lege fles acqua. Wij willen dit toffe gesprek niet onderbreken door te verraden dat wij Vlamingen zijn. Zij hebben ons door en  komen vriendelijk een goeiedag zeggen. ‘Op laatstejaarsreis?’ ‘Wat bezochten jullie al?’

In hun verhaal horen we de vreugde van het afstuderen in het secundair onderwijs en de roep naar meer eigen interesses in hun studies. We merken  ook de heimwee naar de veiligheid die hun ‘groepje’ hen gaf. Een gevoel dat ik ook mocht ervaren, eenenveertig jaar geleden in de paasvakantie tijdens onze Italiëreis. Alsof het gisteren was.

‘Toffe jongens’ zei mijn vriendin. ‘Plichtsbewuste, brave jongens!’, dacht ik.  

De laatstejaarsreis

Zouden ze nu nog op die kunstwerken mogen kruipen om een foto te maken? Ik vrees het.

Voor mij (en onze kinderen) was  onze laatstejaarsreis iets fantastisch. Het was de eerste keer dat ik mocht vliegen. Wij bezochten Sicilië.
Onze zelfgemaakte reisgids uit 1978 ging mee naar Sicilïe, toen we het eiland een paar jaar gelden nog eens bezochten. Sicilië is de bakermat van Europa, een smeltkroes van culturen. Dat weet ik nog want wij maakten onze reisgids zelf en het was onze examenstof voor het vak esthetica.  De reisgids van de oudste kinderen gaat nog mee, telkens we een door hen bezochte stad bezoeken in ons favoriete land Italië.

De laatstejaarsreis, daar zagen wij jaren op voorhand naar uit. Dat was ook nodig. Naast het voorbereidingswerk voor de gidsbeurten die we zelf moesten doen,  organiseerden wij verschillende activiteiten om die reis te betalen. We maakten reclameboekjes bij een  filmvoorstelling, organiseerden een “kleinkunstavond” en  een fuif. Omdat we nog niet toekwamen, hebben we ook een paar weekends auto’s gewassen.

Wie gaat dat betalen? Wie heeft zoveel geld?

In de manier waarop die laatstejaarsreis betaald wordt, is er een groot verschil tussen scholen. Soms krijgen de ouders gewoon de rekening. Dit heeft tot gevolg, zo mochten we thuis ook ervaren, dat niet iedereen mee gaat omdat sommige ouders dit budget niet kunnen ophoesten.

Onze jongste dochter had het grote geluk in een school te zitten waar heel sterk gelet wordt op democratische prijzen en waar iedereen de kans krijgt om mee te gaan, net als bij ons. De leerlingen koken soep om te verkopen, poetsen zelf klassen, geven  een groot optreden met eigen gezang en dans. Ouders werken samen om de genodigden te voorzien van een heerlijke maaltijd .

Anna, onze jongste, wou vrijwilligerswerk doen in het buitenland als basis voor haar eindwerk. Toen ze haar project en haar doelstellingen voorstelde, vroeg de directeur wie haar reis zou betalen. Wat één leerling kiest als eindwerk moet iedereen kunnen kiezen zonder financiële beperkingen. Ze heeft gepoetst, opgediend op feesten en in cafés en nam thuis de poetsbeurten van de poetsvrouw over. Ze heeft met plezier zelf haar reis betaald. 

Jong geleerd, is oud gedaan

Een zelfde verhaal horen we in een zesde leerjaar van een basisschool. De leerlingen willen een pretpark bezoeken maar de maximumfactuur is overschreden. De klas maakt er een tof project van. Leerlingen mailen, onderhandelen en verzamelen prijzen. Gaan  op zoek naar het goedkoopste vervoermiddel en brainstormen over acties om het geld zelf in te zamelen. Het resultaat is een uitstap waar iedereen kan aan deelnemen. De weg naar het pretpark is zoveel rijker dan een busrit. Ze leren een budget beheren, prijzen kennen, zich inzetten voor een doel,  voor elkaar opkomen,  samen werken. De leerlingen vertellen fier tijdens het leerlingengesprek  dat zij daar zelf voor spaarden en de maximumfactuur niet overschreden. 

Nieuwe eindtermen secundair onderwijs

In de nieuwe eindtermen van de eerste graad secundair onderwijs staat dat leerlingen op school financiële en economische competenties moeten leren. Wij mochten deze competentie lang geleden al leren op school.

Eindtermen financiële en economische competenties secundair onderwijs
De hele groep in 1978

 

SISU in het Fins onderwijssysteem

Mijn fantastische avondliteratuur houdt mij uit mijn slaap. Niet omdat het boek spannend is. Het leest vlot en roept voor mij leuke herinneringen op aan Finland. En het brengt mij terug brengt naar de essentie van het leven. En dat geeft moed.  “Leef met moed, kracht en vastberadenheid, de Finse manier voor een gelukkig en gezond leven.” Geschreven door Katja Pantzar, een Canadese met Finse roots, die emigreerde naar Finland.

Ik mocht het onderwijs in Finland, regelmatig de nummer één van de wereld voor wiskunde en wetenschappen en zeker wat betreft ‘gelukkig-zijn’ bezoeken in 2013. Een reden om mijn verslag van toen nog eens boven te halen.  

En wat viel mij op? In mijn verslag schreef ik over zes opvallende kenmerken die horen bij Finland: structurele eenvoud, flexibiliteit, een groot verantwoordelijkheidsgevoel, veel respect voor zichzelf en elkaar. En natuurlijk SISU!

Het onderwijssysteem is structureel eenvoudig

Misschien viel mij dit toen vooral op omdat ik in een zeer ingewikkeld land leef waar een probleem vaak opgelost wordt met een oplossing die het geheel net iets moeilijker maakt. Wij, Belgen en Vlamingen maken de dingen graag ingewikkeld. Niet in Finland.

Alle scholen zijn verbonden aan de gemeente (community) die fungeert als schoolbestuur. Er zijn geen onderwijsnetten. Er zijn ook veel minder ondersteuningsnetwerken. Mensen helpen elkaar. De invloed van de kerk is groot, iedereen krijgt godsdienstlessen en mensen van de kerk ondersteunen mede-ouders bij oudercontacten. Dezelfde universiteit die zorgt voor de opleiding van de leerkrachten, ondersteunt de nascholing van de leerkrachten en zorgt voor de verdere professionalisering. Er zijn geen bijkomende nascholingsorganisaties waar leerkrachten op intekenen en er is geen pedagogische begeleiding.

Finnen staan niet te springen om te veranderen om te veranderen. Als er wijzigingen gebeuren in methodieken, zijn die gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek uitgaande van de universiteiten en vertaald door de overheid aan de scholen. Als iets niet werkt, voeren ze het af. Planningsdocumenten zijn zeer miniem, de verwachtingen van de overheid zijn beknopt uitgeschreven, info voor de ouders en informatie over de vorderingen van de leerlingen zijn door alle betrokken partijen online te consulteren.   

Flexibiliteit

Finnen zijn in zeker mate honkvast maar ook flexibel. Dit uit zich onder andere in de organisatie van de klassen en de schooluren. In één school waren klassen voor kinderen en jongeren in het brede gamma van noden, gaande van geen over lichte tot zware noden. Time-outprojecten voor jongeren die de school even niet aankunnen, gaan binnen de schoolmuren door. Er is schoolinterne opvang voor kinderen met sociaal-emotionele problemen en er zijn klassen waar gedurende een aantal lestijden per week aan remedial teaching gedaan wordt. Alle leren en ondersteunende zorg gebeurt in de school. Na schooltijd krijgen de leerlingen geen ondersteuning van logo of een revalidatiecentra om de eindtermen te bereiken. Er is geen CLB maar er zijn wel psychologen, sociale werkers, specialisten, dokters en verpleegsters verbonden aan een scholengroep. Doordat de meeste leerlingen met de fiets of te voet naar de school komen, liggen de schooluren voor leerlingen verschillend. Kinderen die extra – uitleg nodig hebben, komen ’s morgens iets vroeger. Wie een extra taak wil afwerken, kan iets langer blijven.

Een groot verantwoordelijkheidsgevoel

In Finland is er geen onderwijsinspectie. Misschien komt dit wel door het hoge verantwoordelijkheidsgevoel van de scholen zelf. Directeurs zeggen alle vertrouwen te hebben in leerkrachten en de gemeente controleert de financiën. Voor het overige ondersteunen leerkrachten elkaar of gaan ze op nascholing.

Een groot respect voor kinderen en mensen

Dit respect uit zich in de verschillende initiatieven die structureel ingebouwd zijn. Uit de vele gesprekken blijkt dat de leerkrachten met heel veel zorgzaamheid en respect spreken over  kinderen en dat ze heel goed beseffen dat zij op die manier werken aan de toekomst van de leerlingen en van iedere burger. De toekomst van het land.

Finse scholen zijn zeer selectief in hun leerkrachten. Slechts 1 op 10 die het beroep van leerkracht ambieert, krijgt uiteindelijk een leraarsdiploma. Maar eens ze zo ver zijn, draagt de school zorg voor hen. In de leraarskamer klinkt klassieke muziek, er staan massagezetels, supporters van skiwedstrijden hebben de kans om de wedstrijd op tv te volgen in de pauzes.   

Scholen geven en vragen verantwoordelijkheid van de ouders en van de leerlingen zelf om hen op te leiden tot verantwoorde burgers.

In Finland weerspiegelt een school nog steeds de maatschappij doordat alle leerlingen tot 16 jaar, ook die met speciale noden, samen school lopen. Ze zitten niet altijd in dezelfde klas maar ze eten in dezelfde refter, spelen op een gemeenschappelijk schoolplein, houden samen schoolfeest en gaan elke morgen door dezelfde deur naar binnen.

Gezondheid

Op de scholen is veel aandacht voor gezondheid. Iedereen krijgt een eenvoudig maar gezond middagmaal. Alle leerlingen spelen buiten, enkel bij min 30 graden spelen de leerlingen beperkt buiten in de grote domeinen rondom de school. Leerlingen komen, ook door de sneeuw te voet of met de fiets naar de school.

Een bevallingsverlof kan tot 3 jaar duren en de meeste vooral vrouwelijke leerkrachten maken gebruik van die maatregel. Sommigen profiteren van die periode om nog een bijkomende studie aan te vatten.

De leerlingen blijven niet langer op school dan nodig. In het lager onderwijs is dat 19 uren waarvan ze 45 minuten les krijgen en 15 minuten ontspanning na elke les.

De kleuterschool begint op 6 jaar, het lager onderwijs in het jaar dat ze 7 worden. Mede door die late start in het lager onderwijs is het aantal zittenblijvers laag. In de voorschoolse opvang krijgen de kleuters heel veel verantwoordelijkheid en zorg voor het welzijn en de gezondheid.

SISU

 SISU, het Finse woord voor volharding op langere termijn, wordt bewust nagestreefd. Enerzijds dragen de Finnen zorg voor mensen, anderzijds leren ze wat verantwoordelijkheid is, zowel maatschappelijk als voor hun eigen leven. Dat het onderwijs in Finland internationaal zo goed scoort, is een gunstig neveneffect van de Finse manier van ZIJN.

Deze tekst vond ik in die periode in het schriftje van een wijze leerkracht. Ze kreeg het van haar dochter die studeerde in Finland.

To a man who knows nothing,mountains are mountains,waters are waters,trees are trees

But when he has studied and begins to understand more,mountains are no longer mountains,waters are no longer waters,trees are no longer trees

But when he has throughly understood,mountains are again mountains,waters are waters, trees are trees

Aanrader!
SISU
Finland 2003

En toen vloog de deur open, de inspecteur was daar …

Ik herinner mij als gisteren mijn eerste bezoek van een inspecteur. Het was mijn eerste jaar en in het zesde leerjaar. De les: ‘Het soortelijk gewicht”. Ik was al zenuwachtig voor de les op zich. Dit is de moeilijkste wiskundeles van de lagere school. Een toepassing op wat leerlingen leren gedurende de volledige lagere school, de integratie van volume en gewicht. Een les die automatisch leidt tot veel vraagstukken waarbij de wiskundige kennis en de probleemoplossende vaardigheden serieus op de proef gesteld worden, van leerkrachten en leerlingen.

Vorige week was ik in een klas en de leraar koos deze les om bezoek te krijgen van de inspectie, van mij dus. Wat een verschil bij vroeger. Bij mij stak de inspecteur met in zijn kielzog mijn directrice de deur open en daar waren ze. Ik stond vooraan met een weegschaal, liters, water, kiezelstenen, zand, rijst, maïs. Grondstoffen die moesten gewogen en gemeten worden. Nu weten scholen weken op voorhand voor welke les de inspectie zal komen kijken.

Chapeau voor de leraar die deze les vrijwillig koos. Hij had wel veel meer ervaring dan ik toen, hij was een prille zestiger, ik toen een naïeve twintiger.

Ik herinner mij hoe ik beefde nadat de deur terug dicht sloeg. Zo was dat in mijn herinnering. Alle wegen, meten en experimenteren trok ik naar mij toe en ik probeerde toch vol enthousiasme de leerlingen te betrekken bij de les. Het lukte niet zo goed. Dat ik een ladder in mijn kous had en dat de directrice, de ros, de inspecteur daar op wees, deed geen goed aan mijn zelfvertrouwen.

Ik herinner mij de inspecteur als een arrogant iemand. Toen hij vroeg of hij een paar voorbereidingen mocht zien, haalde ik mijn twee dikke mappen boven. Hij schoof ze mij onmiddellijk terug en herhaalde streng ‘Een paar!”. Ik was van mijn melk.

Het verslag viel al bij al mee maar slechter dan een goed verslag zijn de gevoelens die je er aan overhoudt.

In mijn herinnering was de man zeker twee meter groot. Toen ik bijna 25 jaar geleden bij de onderwijsinspectie kwam werken, zag ik zijn naam op de lijst zag staan. Ik vond hem niet, hij werd mij aangewezen. Ik had hem nooit zelf gevonden. Hij leek toen wel op een mens en was amper 1 meter 60 groot. Soms maken we mensen te groot en veel te belangrijk in onze herinnering.  

Na het handtekenen van het verslag kwam ik terug in de klas. De leerlingen verontschuldigden zich. “Juffrouw, we hadden liever veel meer antwoorden kunnen geven op jouw vragen, maar jij was zo nerveus en wij durfden geen fouten maken. Misschien kreeg jij dan een slecht verslag.” Mijn leerlingen hadden duidelijk met mij te doen.

En dit hoorde ik vorige week ook. Een leerkracht van het zesde vertelde dat hij wil dat de leerlingen zo veel als mogelijk antwoordden in het Frans in “een normale les”. Nu de inspecteur er was, durfden zij dat niet en daarom antwoordden ze in het Nederlands. Ze hadden zich ook verontschuldigd na het inspectiebezoek.

Leerlingen zijn zo lief voor hun leerkrachten. Tijdens een gesprek met leerlingen zei een pientere jongen uit het vijfde leerjaar over zijn leerkrachten. “Mevrouw, je moet dat begrijpen, ze zijn allebei nog maar 23 jaar.” Ik weet nog niet wat ik moest begrijpen maar kreeg op slag veel begrip.

Voor mijn leerlingen van toen die nu ook al bijna 50 ers zijn en die een verwarrende eerste uitleg kregen over het soortelijk gewicht, kan ik alleen hopen dat ze het begrijpen, ik was pas 20 jaar.

Mijn eerste inspectiebezoek

Move tegen pesten

Move tegen pesten!

Het welbevinden van leerlingen werkt aanstekelijk

Voor velen, ook voor kinderen is de school een vorm van noodzakelijk kwaad. Je moet er door en liefst op een zo kort mogelijke tijd. Eerlijk, ik heb dat zelf nog tegen de kinderen gezegd op het moment dat er geklaagd werd en ik hen niet kon motiveren om met volle goesting naar de school te gaan. “Dan ga je maar omdat je moet!”

Maar het kan ook anders. In de nieuwe manier van doorlichten hebben wij, de onderwijsinspectie, een gesprek met de leerlingen. Het draait toch om hen, niet? Meestal ervaren wij heel veel openheid, eerlijkheid en spontaneïteit van leerlingen en hebben we boeiende gesprekken. De ervaring leert ons dat kinderogen vaak de spiegels van de school zijn.

En, kom je graag naar school? 

De gesprekken met de leerlingen stimuleren ons tot nadenken. Als we peilen naar het welbevinden van leerlingen, onder andere via de vraag of ze graag naar school komen en waarom, krijgen we als antwoord dat het voor de vrienden is, omdat er sportvelden zijn, er muziek op de speelplaats is op vrijdag, ze leuk mogen spelen op school, omdat er een grasveld is … Soms vertellen ze over de toffe juf of meester of de leuke uitstappen. Als leerlingen inspraak hebben over het leven en leren op school, ervaren we een grote fierheid en betrokkenheid voor de school en de medeleerlingen.

Via actief leren naar een hoger welbevinden  

Wat wij minder horen van leerlingen is dat ze graag naar de school komen omdat er zoveel te leren valt. Raar, daarvoor gaan we toch naar school?

Maar die maandagmorgen horen we en het klonk gemeend, dat de leerlingen heel graag naar school komen omdat er zoveel te leren valt. De leerlingen raken niet uitverteld over de vele initiatieven die leerkrachten nemen om hen in hun kracht te zetten en hen meer verantwoordelijkheid te geven in hun leerproces. Ze doen zo graag wiskunde, zeggen ze en iedereen in de klas doet dat graag. “Echt waar, mevrouw!”

Wij blijven positief en kritisch maar aan zoveel spontaan enthousiasme kunnen we niet voorbij. Het schoolteam was zich ernstig gaan bezinnen over klasmanagement en meer inhoudelijke en realistische verrijking van wiskunde. De leerlingen krijgen nu volop kansen tot experimenteren, exploreren en altijd is er een ‘lopend’ probleem dat ze niet onmiddellijk moeten oplossen maar waar ze in onderling overleg tot een oplossing kunnen komen. Ze mogen hun eigen kamer inrichten met een beperkt budget of de berekening maken voor een zwemvijver op school. Als volleerde binnenhuis- of tuinarchitecten gaan ze aan de slag om zo de geleerde wiskundige formules toe te passen. Elkaar helpen mag, moet zelfs. 

“Wiskunde is nu veel gemakkelijker” zegt Eva, “we staan er niet meer alleen voor en als we er niet uit geraken, kunnen we altijd bij de leerkracht terecht.” In de oefenfase mogen ze spiekbriefjes gebruiken en in het begin van de les schrijven ze het doel van de les op bord, om dat op het einde van de les te evalueren. 

Bij de rondgang in de schooltuin tonen ze ons het fit-o-parcours, het bosje en de tuin, hun speelterreinen om te experimenteren in en met de natuur. “Het is hier zo boeiend,” zegt Thomas en wij geloven hem. 

Tijdens het gesprek met leerlingen horen we kritische, gelukkige leerlingen die het elke dag gezond druk hebben op school met experimenteren, overleggen, in groep te werken, uitdagingen aangaan, kortom heel veel te leren en te ontdekken.

Is het niet zalig dat het welbevinden van leerlingen stijgt juist omdat het boeiend is op school? Dat er weinig pestproblemen zijn omdat leerlingen verplicht worden om elkaar te helpen, samen te werken. En omdat ze niet alleen verantwoordelijk zijn voor hun eigen resultaten maar ook delen in succeservaringen van hun klasgenoten? Is het niet fantastisch dat leerlingen zeggen dat wiskunde leuk en gemakkelijk is omdat er zoveel samenwerking is tussen leerkrachten en leerlingen en tussen leerlingen onderling om tot bredere inzichten te komen?

Het is een win-winsituatie als leerlingen met een andere thuistaal de kans krijgen om veel met elkaar te overleggen en zo hun taalvaardigheids- en communicatie skills te verhogen.

Uiteindelijk worden kinderen gelukkig van succeservaringen die ze opdoen binnen hun leerproces. Voor ons is dit een aha-erlebnis. De neveneffecten van boeiend onderwijs zijn legio. Niet het streven naar welbevinden op zich is het doel. Het doel is goed en boeiend onderwijs aanbieden en leerlingen uitdagen om samen te werken en hen op die manier meer welbevinden geven.

Misschien is uitdagend onderwijs geven en leerlingen verplichten om samen te werken wel de beste move tegen pesten.

Meesterschap in onderwijs

Meesterschap

Nooit gedacht dat ik de directrice van de school waar ik mijn eerste interim deed en waarvoor ik later nog enkele jaren zou werken, zou bedanken in een column. Ze was streng voor mij, beginnende leerkracht. Ik startte in het eerste leerjaar in september. Het leerjaar waar ik het meeste schrik voor had omdat we zo veel geleerd hadden over de belangrijkheid van de lees-, reken- en schrijfvoorwaarden in de lerarenopleiding. Ik dacht dat ik al veel wist maar kreeg daar niet de bevestiging van, integendeel. Ze maande de leerlingen aan om recht te zitten en de juiste schrijfhouding aan te nemen. Ze observeerde de lessen, dacht mee en zei vooral wat beter en anders kon. Ze eiste een overzichtelijk bordschema in kleur met een perfect bordschrift en controleerde de klaswanden. Ze wou dat de letterdoos klaar stond voor elke les zodat leerlingen niet verward raakten in de vele letters die ze nog niet kenden. Ze wou dat kinderen de tekst volgden met de vinger om zeker te zijn dat ze de tekst niet van buiten gingen papegaaien. Kortom, ze wou dat ik kinderen ondersteunde in hun aanvankelijk leerproces en hen daartoe de nodige structuur bood. Ze legde onmiddellijk de plooi voor een stiel die ik graag gedaan heb en waarin ik mij jaren later in specialiseerde: de overgang van de kleuterklas naar het eerste leerjaar.

Lesgeven vraagt meesterschap

Leerling

“Lesgeven in de eerste graad is een stiel”, zeg ik tegen leerkrachten van de eerste graad. Bij eentje staat het schreien nader dan het lachen, de andere lijkt meer bereid om mee te gaan in onze vaststellingen. “Het is een meesterschap dat je gaandeweg moet leren, met vallen en opstaan”. Mijn collega is net als ik een ervaringsdeskundige in de eerste graad. We troosten hen door te zeggen dat wij ook op de vingers getikt werden, wij ook moesten bijleren, ook bleven proberen om uiteindelijk tot resultaat te komen. De jonge leerkrachten lachen even. We reflecteren verder over hoe zij de hiaten in de didactische aanpak kunnen bijsturen en hoe zij leerlingen verder kunnen ondersteunen om tot betere resultaten te komen. Het eerste leerjaar is cruciaal in de onderwijscarrière. Het is dat ene moment waarop ze schoolrijp of bijna-schoolrijp zijn, het ideale moment om te leren lezen, rekenen en schrijven. En dat moment is kostbaar want het komt nooit meer terug.

Het proces van schoolrijpheid

Intentioneel leren vraagt inspanningen van de lerende maar ook van de leerkracht. Hij of zij moet de leerinhouden op een overzichtelijke en logische manier aanbrengen, oefenen, een stapje terugzetten, weer een stapje verder gaan, het eens op een andere manier proberen … Voor sommige kinderen lijkt lezen een natuurlijk proces. Ze lezen woorden globaal, uit herkenning maar beschikken ze over alle deelvaardigheden om tot lezen te komen? Slagen ze er visueel en auditief ook in om andere woorden te analyseren en te synthetiseren? Kinderen verdienen dat dit proces systematisch gebeurt met respect voor hun gevoelige leeftijd want niet alle kinderen zijn voldoende schoolrijp in het jaar dat ze zes jaar worden. Sommigen zijn pas enkele maanden later klaar en het schooljaar loopt verder. En er is zoveel dat we moeten ondersteunen tijdens die cruciale maanden: de lees-, reken- en schrijfvaardigheden, het metacognitief bewustzijn, de zelfsturing, de concentratie, uit de egocentriciteit stappen … Sommige kinderen zijn qua mentaliteit en rijpheid nog kleuters in het eerste leerjaar en dit vraagt een specifieke aanpak.

Leren lesgeven in het eerste leerjaar

Op een onderwijsconferentie in Londen hoorde ik dat Schotse studenten van de lerarenopleiding voor het secundair onderwijs stage moesten lopen in het eerste leerjaar omdat ze daar duidelijk konden zien hoe ze het proces van intentioneel leren kunnen ondersteunen. De verschillende fasen van leren zijn duidelijk en je leert er een klas managen. Terwijl het ene kind in het eerste leerjaar erin slaagt om zijn potlood te vinden, heeft de andere een volledig blad oefeningen gemaakt. Terwijl je aan de hele groep een boodschap geeft, moet je aan Lieveke diezelfde boodschap nog eens herhalen want een boodschap voor de volle klas interpreteert zij niet als een persoonlijke boodschap.

Iedereen leraar?

Ik krijg eind september een paniekerige telefoon van de andere kant van het land. Of ik tijd heb om in het weekend langs te komen.  Onze kleinzoon heeft moeilijkheden met lezen en de juf vraagt aan de ouders om te oefenen.

We zoeken een rustig plekje. Papa en mama kijken over de schouders mee, oma noteert elke stap die ik zet want zij vangt hem vaak op na vier uur en ze wil weten hoe ze hem kan helpen. We oefenen de letters. Ze zijn gekend. Visuele discriminatie is geen probleem. Auditieve analyse en synthese lukt moeilijker bij deze jongen die geboren werd eind november. We maken er een spelletje van en oefenen. Dikke duimen verhogen zijn competentiegevoel en hij begrijpt de systematiek van het analyseren van woorden in letters en hoe hij de synthese van letters tot een nieuw woord kan maken. Vooral zijn zelfvertrouwen is gegroeid.  Onze leerling mag buiten skeeleren en ik leg nog even uit aan mijn schoondochter en zoon en aan oma hoe ze hem in de toekomst kunnen helpen. De volgende dag krijg ik telefoon. Het lukt al beter. Hoe ik dat kan? Omdat het mijn stiel is, was.

Te hoge verwachtingen voor ouders

Soms verwachten scholen dat ouders kinderen kunnen ondersteunen in hun leerproces. Enkel ouders die de stielkennis hebben, kunnen kinderen helpen in dat aanvankelijk leerproces. Dit leren moet op school gebeuren, bij de vakmensen. Jammer toch dat leerkrachten zich niet altijd bewust zijn van hun vakmanschap en zich te weinig bewust zijn hoe uniek en waardevol dat is. Meesterschap moet je oefenen en koesteren.

Over de zon, vuile vensters en Elisabeth Bennet

Mijn week staat volledig in het teken van groei, bloei en vooruitgang. De zon die eindelijk kwam priemen na weken mistig en donker weer, is een heerlijk supplementje. Ze doet haar uiterste best. Het hele huis baadt in het licht. Ik las deze middag een artikel in de zonovergoten veranda en heb nu het geluk in de zon aan deze tekst te mogen schrijven. Dat maakt mij gelukkig. Alleen… ik mag niet rondom mij kijken. Pasen is nog een eind weg, de vasten is nog niet begonnen, en de paaskuis dringt zich al op. Ik hou mijn ogen op mijn scherm en mijn gedachten bij de zon. Even niet aan mijn vensters denken.

Morgen geef ik voor mijn collega’s een korte uiteenzetting over een positief en uitdagend onderwerp: The growth mindset. Een growth mindset is gericht op positieve ontwikkelingen, op succeservaringen, op geloof dat het goed komt, op groei, op vooruitgang, op moed, zorgt dat je niet opgeeft, dat je doorzet ondanks tegenslagen. Kortom een growth mindset is een positieve en hoopvolle benadering van de realiteit. Bij een fixed mindset (het tegenovergestelde) staat de intelligentie, de talenten, het kunnen vast, aanvaarden we wat is, sakkeren we nog een beetje maar doen er uiteindelijk weinig aan. En welke mindset je ook kiest, het vertrekt in je hoofd.

Voor mij is een growth mindset de meest logische manier van zijn. Moet het nu wel lukken, dat de twee maatschappelijke domeinen waar ik het meest contact mee heb, juist NIET uitblinken in een growth mindset. Die twee domeinen zijn het onderwijs, waar ik al 38 jaar in werk en de geneeskunde waar ik, dik tegen mijn zin, al regelmatig mee te maken had.

Alles begint natuurlijk met het idee dat er altijd een oplossing is. Iets uiteindelijk aanvaarden na de nodige inspanningen, is ook een oplossing.  Ik herinner mij dat onze oudste dochter, toen we gezelschapsspelen speelden steeds tegen zichzelf zei: “Er is een oplossing, er is een oplossing.” Een mantra die de andere spelers al vlug overnamen.

Op mijn zoektocht naar info om mijn voordracht een eigen structuur te geven kwam ik bij de volgende tip voor leerkrachten: “Introduce real life educator stories.” Met andere woorden, gebruik het leven van anderen als inspiratiebron. De introductie van “helden”. Het heldenboek dat het meest effect heeft, is de bijbel. De verhalen beklijven en Jezus als grote voorbeeld is in ons geheugen blijven steken. Was de bijbel een saai boek geweest, het was nooit een bestseller, meer nog, we hadden het  christendom nooit gekend. Slimme marketing heeft door de eeuwen heen bestaan.

En toch hoor ik te weinig verhalen op de plaats waar ik vaak kom, de klasvloer. In het kleuteronderwijs liggen nog heel veel kansen te rapen in prentenboeken. Je kan kleuters via een verhaal meenemen in een fictieve realiteit waarin ze vatbaar zijn voor nieuwe woorden, nieuwe inzichten, avonturen. Verhalen van dieren of kinderen die een conflict hebben en dat na veel moeite oplossen, zijn zoveel waardevoller voor een kleuter dan saaie opdrachten. Ze gaan er meteen mee aan de slag, spelen het na, vertellen er over en verbreden hun kennis, woordenschat, gevoels- en sociaal leven.

Neem nu het boekje ‘Fietsen’ van Gregie De Mayer, een oud boek dat hier nog altijd in mijn boekenkast staat. Bet wil leren fietsen maar het lukt niet. Ze geeft niet op en na veel tegenslagen, conflicten en woede-uitbarstingen leert haar omamona haar fietsen door haar vast te houden en nadien rustig op eigen kracht te laten rijden. Dit boekje las ik voor aan mijn volwassen studenten in de opleiding remedial teacher. Het verhaal toont aan dat je niet opgeeft als een kind een opdracht bij de eerste uitleg niet begrijpt. Je probeert op een andere manier, laat hen zoeken, je luistert naar hen en vooral je geeft hen het vertrouwen dat door te oefenen op de juiste manier, je steeds tot een oplossing komt.

Gisteren stierf Karl Lagerfeld. Voor vele ontwerpers, waaronder Bent Van Looy en Marc Jacobs, was hij een inspiratiebron. Niemand wou een oude man zien naast en op de catwalk. Daardoor mat hij zichzelf een imago aan dat zijn leeftijd deed vergeten maar dat hem onvergetelijk maakte. Zijn verhaal beklijft.

Het internet staat vol waardevolle quotes van beroemde mensen. Of ze waar zijn, doet er niet toe, het zijn inzichten, levenslessen. Mensen willen zich met iemand identificeren en trekken zich daaraan op.

Toen onze jongste in de 3 de klas van het middelbaar onderwijs zat, moest ze een jaarwerk maken rond een persoon die haar inspireerde. Zij vergeet de biografieën, niet alleen die waar zij haar werk rond maakte maar ook al die andere van de leerlingen uit haar klas, nooit.    

Jane Austen schreef meer dan 200 jaar geleden over haar hoofdrolspeelster als ‘the heroine”. Mijn twee favorieten zijn Elizabeth Bennet  (Sense and sensibility) en Anne Elliot (Persuation). Twee wijze vrouwen die gewacht hebben op de grote liefde, die tegenslag kenden en beloond werden met een huwelijksaanzoek.

Ik hoop echt dat ik in de toekomt het verhaal terug ingang mag zien vinden in de klassen. Misschien via de weg die deze nieuwe hype van growth mindset aangeeft, al is die weg eeuwenoud. Wat goed is en waar mensen plezier aan beleven, blijft. Hopelijk kom ik dan meer kinderen tegen die mij vertellen dat ze naar school komen omdat ze er zoveel leren en niet alleen omwille van vriendjes.