Flash fiction

Ik kreeg een mail, een uitnodiging om deel te nemen aan “The European Flash Fiction Contest”. Een wedstrijd met deelnemers uit heel Europa om in je eigen taal een tekst neer te schrijven van 100 woorden. Het onderwerp is (not) at home.
“Join us and let’s continue writing and dreaming Europe seriously! ” Een uitnodiging waar ik geen neen tegen zeg.

Kijk dit is een ideale bezigheid voor een luie zaterdag. Het voelt als een kast uitkuisen, heel veel weggooien en er nadien een gevoel van mentale ruimte zomaar gratis bij te krijgen. Mijn paaskuis stel ik nog even uit, aan woorden schrappen ben ik alvast begonnen. Hieronder het resultaat van een paar uurtjes schrapwerk. Twee teksten van exact 100 woorden.

Niet thuis wegens slaapgebrek

Eventjes over zijn kin wrijven, de totale overgave…

Hij doolde de hele nacht. Vermoeid zocht hij een slaapplek. Gedesoriënteerd  slenterde hij rond, te moe om te slapen. Ik wreef over zijn kin, hij gaf zich over. Een doos werd zijn bedje in het tuinhuis. Ik liet hem alleen vertrekken naar dromenland. 

Als het vermoeidheidsbeest opduikt, laat ik de wereld draaien. Dan neem ik het voorrecht om niet-thuis te zijn. Troostende woorden of gezelschap helpen niet. Dat weten mijn vrienden. Het beest weet dat niet. Hij komt altijd ongelegen en te vaak.

Tijd nemen om afwezig te zijn, creëert een band tussen mij en mijn poes. Wij verstaan elkaar!

Patients united


Ik gleed in de afgrond van de slaap maar dat liet de test niet toe.

In een prikcentrum, alleen en ver van huis, vond ik girlpower en steun.  Mijn bloed werd afgekolfd en mijn bloedsuikerspiegel onverbiddelijk verlaagd. Ik gleed in de afgrond van de slaap en dat liet de test niet toe. Mijn ogen sloten zich tegen mijn wil.  Drie vrouwelijke patiëntes riepen, schudden aan mijn arm, fungeerden als engelbewaarders om mij bij hen te houden.

Twee uren hielden zij mij  aan de  praat. We roddelden, lachten, klaagden en prezen. Door hen bleef ik vechten.

“Tot ziens” bij het afscheid klonk alsof we elkaar jaren kenden. Patients united, vriendinnen voor even geven elkaar een thuis.   





Vintage in the old fashion way


We geraakten aan de klap op het perron. Het hoedje stond haar beeldig. We praatten door op de trein en in enkele minuten vonden we dingen die ons beiden raakten en dingen die verschilden in ons leven. We wonen deeltijds in dezelfde badstad, we zijn bijna-leeftijdsgenoten. Ze vertelde dat haar schoondochtertje altijd goed gekleed liep en ze haar kleren tweedehands of in een kringwinkel kocht, net als mijn jongste dochter. Ze had het er moeilijk mee, ze zou dat niet direct doen. Maar wij vonden beiden van onze smaakvolle volgende generatie dat ze er beeldig uitzagen, origineel, ze pasten in de boekjes, kwamen precies uit een doosje en ze zijn een voorbeeld voor reportages over ‘streetfashion’.

Zo zijn vrouwen, we praten met wildvreemden maar vinden onszelf er steeds in terug.  

Nu komen de vintagewinkels en outletshops als paddenstoelen uit de grond. In mijn buurt verkoopt een jonge onderneemster (www.david-dupont.com) tweedehands handtassen van Delvaux. Voor een nieuwe moet een normaal-verdiener heel lang sparen. Voor een tweedehandse is dat eigenlijk ook nog lang. Wij gaan er al eens binnen voor een heerlijke koffie op zaterdagvoormiddag. De rest volgt misschien.  

Tweedehandsstukken hebben een geschiedenis en veel goedkoper, ook dat is ecologisch. Zo kocht ik een gouden ring met een steen die mij geweldig aantrok, een topaas. De ring droeg ik intussen slechts heel sporadisch, hij trekt mij niet meer aan. Zo sterk als de ring mij aantrok toen hij in de vitrine lag, zo sterk is mijn afkeer nu. En ik weet niet waarom. Misschien hangt er net bloedstollend, spannend en intrigerend verhaal aan vast dat mij heel veel onrust geeft. Ik sta voor alles open, kan iemand mij dat verhaal vertellen?

Terug naar onze dochters. Onze jongste dochter en haar vriendinnen kopen vaak vintage. Dat doen ze niet alleen uit ecologisch standpunt maar ook gewoon omdat ze tussen de massa kleren een ruime keuze hebben, hun creativiteit kunnen botvieren om uiteindelijk op een zeer persoonlijke manier gekleed te zijn. Designers gaan op de straat kijken hoe de jeugd en andere vooruitstrevende creatieveling gekleed lopen, als inspiratie voor hun collecties.

Zo zie ik mijn dochter vaak, wow, echt wow gekleed. Ze combineert op een originele manier en vooral smaakvol. Omdat ze haar hele leven al geïnteresseerd is in schoonheid raadde ik haar zelfs aan om iets te doen in de modesector. Ze is daar nooit echt positief over geweest. Naaien zei haar niets, ook al leerde ik het haar en de overcommercialisering van de modewereld houdt haar op een afstand. Maar wat niet is, kan komen.

Dat ze niet gekleed wil gaan zoals al de anderen, dat kleding meer moet zijn dan winkelen, geld uitgeven en dragen, kan ik heel goed begrijpen. Want dat is net wat ik ook deed op die leeftijd maar dan op een iets andere manier.  

Ik was wel geïnteresseerd in die naaimachine. Ik wachtte het moment af tot mijn moeder weg was om het stikken te oefenen. Van kindsbeen af. Heel jong naaide ik mijn kleren zelf, of ik deed een poging. Mijn mama kon goed naaien en ik wou dat ook kunnen. Ik ging windowshoppen voor een leuk patroontje, tekende het in de mate van het mogelijke na en ging naar de stoffenwinkel om nadien het stofje te verwerken tot iets eigens. Het is magisch om uit een doek een draagbaar kleedje te maken Als ik een vintagewinkel bezoek met mijn dochter, zie ik ook onmiddellijk waar een kleedje met weinig naaiwerk ingekort of aangepast kan worden. Maar zelfs dat zet haar niet aan om zelf te naaien.

En in deze vergaderluwe krokusvakantie nam ik mijn oude liefde terug op, na jaren. Ik naaide een boord aan een kleedje dat te kort was voor mijn leeftijd en lichaamsbouw. Het lukte en het smaakte naar meer. In mijn boekenkast zocht ik naar een passend patroon en in mijn stoffenkast een oud stofje. Patroonboeken en stofjes ben ik blijven verzamelen, ook in mijn naailuwe periode. Gewoon in de hoop dat de goesting om te naaien terug zou komen.  

Het is bijna zo ver, mijn kleedje is bijna af. Nog een paar finishing touches en hopelijk kan ik het volgende week met veel trots dragen.

Ik voel mij verwant met mijn dochter. Niemand maar dan ook niemand heeft een kleedje in mijn patroon met die stof. Het is een pièce unique, een beetje vintage in the old fashion way. 

Naar de film met de dochter voor Internationale Vrouwendag

Vandaag is het 8 maart,Internationale Vrouwendag en over de hele wereld vieren mensen de prestaties van vrouwen. Het is tijd om verhalen van dappere vrouwen te vertellen en te reflecteren op de verworvenheden die wij in de Westerse wereld al bekomen hebben. Het duurde een eeuwigheid om te staan waar we nu staan. Het is een dag om stil te staan bij die vrouwen over de hele wereld die nog dagelijks leven onder verdrukking, onder de macht van mannen; vrouwen die niet ernstig genomen worden, minder betaald krijgen, beschouwd worden als een mindere soort. Dankzij onbevreesde vrouwen die culturele normen veranderden en nieuwe wegen opgingen, is het leven van vele vrouwen er beter op geworden.

Gendervooroordelen blijven, bij voorbeeld de rol van de vrouw in de katholieke kerk, heel dicht bij ons. Vrouwen zijn de helft van de bevolking maar hebben nog lang niet de helft van de macht, van de mooie promoties, van de belangrijke politieke en economische taken. Een wereld waar mannen en vrouwen dezelfde rechten hebben, waar gendergelijkheid de norm is en geen uitzondering, is een betere wereld. 

België doet het goed, zo stond deze week in de krant maar alles kan beter. Daarom deze gouden tip voor moeders en dochters; ga samen naar de film “On the Basis of SEX”, zoals mijn jongste dochter en ik deden.

Het verhaal speelt zich af in 1956 waar de jonge Ruth, een pientere studente wel de kans krijgt om rechten te studeren maar moet tevreden zijn met een onderwijsopdracht na haar afstuderen. Ze leerde haar studenten een beroep dat ze zelf niet mocht uitvoeren. Tot ze plots de kans kreeg om een man te verdedigen die omdat hij niet getrouwd was, de kosten van de verzorging van zijn moeder niet terug betaald kreeg.

1956 is een hele tijd geleden. Of toch niet. Ik vertelde mijn dochter dat ik gaandeweg zag hoe de positie van de vrouw in de maatschappij verstevigde maar dat er nog veel werk is. En dat mogen jonge vrouwen niet vergeten.

Gelukkige vrouwendag meisjes en dames!

Een pluim voor ons land!

SISU in het Fins onderwijssysteem

Mijn fantastische avondliteratuur houdt mij uit mijn slaap. Niet omdat het boek spannend is. Het leest vlot en roept voor mij leuke herinneringen op aan Finland. En het brengt mij terug brengt naar de essentie van het leven. En dat geeft moed.  “Leef met moed, kracht en vastberadenheid, de Finse manier voor een gelukkig en gezond leven.” Geschreven door Katja Pantzar, een Canadese met Finse roots, die emigreerde naar Finland.

Ik mocht het onderwijs in Finland, regelmatig de nummer één van de wereld voor wiskunde en wetenschappen en zeker wat betreft ‘gelukkig-zijn’ bezoeken in 2013. Een reden om mijn verslag van toen nog eens boven te halen.  

En wat viel mij op? In mijn verslag schreef ik over zes opvallende kenmerken die horen bij Finland: structurele eenvoud, flexibiliteit, een groot verantwoordelijkheidsgevoel, veel respect voor zichzelf en elkaar. En natuurlijk SISU!

Het onderwijssysteem is structureel eenvoudig

Misschien viel mij dit toen vooral op omdat ik in een zeer ingewikkeld land leef waar een probleem vaak opgelost wordt met een oplossing die het geheel net iets moeilijker maakt. Wij, Belgen en Vlamingen maken de dingen graag ingewikkeld. Niet in Finland.

Alle scholen zijn verbonden aan de gemeente (community) die fungeert als schoolbestuur. Er zijn geen onderwijsnetten. Er zijn ook veel minder ondersteuningsnetwerken. Mensen helpen elkaar. De invloed van de kerk is groot, iedereen krijgt godsdienstlessen en mensen van de kerk ondersteunen mede-ouders bij oudercontacten. Dezelfde universiteit die zorgt voor de opleiding van de leerkrachten, ondersteunt de nascholing van de leerkrachten en zorgt voor de verdere professionalisering. Er zijn geen bijkomende nascholingsorganisaties waar leerkrachten op intekenen en er is geen pedagogische begeleiding.

Finnen staan niet te springen om te veranderen om te veranderen. Als er wijzigingen gebeuren in methodieken, zijn die gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek uitgaande van de universiteiten en vertaald door de overheid aan de scholen. Als iets niet werkt, voeren ze het af. Planningsdocumenten zijn zeer miniem, de verwachtingen van de overheid zijn beknopt uitgeschreven, info voor de ouders en informatie over de vorderingen van de leerlingen zijn door alle betrokken partijen online te consulteren.   

Flexibiliteit

Finnen zijn in zeker mate honkvast maar ook flexibel. Dit uit zich onder andere in de organisatie van de klassen en de schooluren. In één school waren klassen voor kinderen en jongeren in het brede gamma van noden, gaande van geen over lichte tot zware noden. Time-outprojecten voor jongeren die de school even niet aankunnen, gaan binnen de schoolmuren door. Er is schoolinterne opvang voor kinderen met sociaal-emotionele problemen en er zijn klassen waar gedurende een aantal lestijden per week aan remedial teaching gedaan wordt. Alle leren en ondersteunende zorg gebeurt in de school. Na schooltijd krijgen de leerlingen geen ondersteuning van logo of een revalidatiecentra om de eindtermen te bereiken. Er is geen CLB maar er zijn wel psychologen, sociale werkers, specialisten, dokters en verpleegsters verbonden aan een scholengroep. Doordat de meeste leerlingen met de fiets of te voet naar de school komen, liggen de schooluren voor leerlingen verschillend. Kinderen die extra – uitleg nodig hebben, komen ’s morgens iets vroeger. Wie een extra taak wil afwerken, kan iets langer blijven.

Een groot verantwoordelijkheidsgevoel

In Finland is er geen onderwijsinspectie. Misschien komt dit wel door het hoge verantwoordelijkheidsgevoel van de scholen zelf. Directeurs zeggen alle vertrouwen te hebben in leerkrachten en de gemeente controleert de financiën. Voor het overige ondersteunen leerkrachten elkaar of gaan ze op nascholing.

Een groot respect voor kinderen en mensen

Dit respect uit zich in de verschillende initiatieven die structureel ingebouwd zijn. Uit de vele gesprekken blijkt dat de leerkrachten met heel veel zorgzaamheid en respect spreken over  kinderen en dat ze heel goed beseffen dat zij op die manier werken aan de toekomst van de leerlingen en van iedere burger. De toekomst van het land.

Finse scholen zijn zeer selectief in hun leerkrachten. Slechts 1 op 10 die het beroep van leerkracht ambieert, krijgt uiteindelijk een leraarsdiploma. Maar eens ze zo ver zijn, draagt de school zorg voor hen. In de leraarskamer klinkt klassieke muziek, er staan massagezetels, supporters van skiwedstrijden hebben de kans om de wedstrijd op tv te volgen in de pauzes.   

Scholen geven en vragen verantwoordelijkheid van de ouders en van de leerlingen zelf om hen op te leiden tot verantwoorde burgers.

In Finland weerspiegelt een school nog steeds de maatschappij doordat alle leerlingen tot 16 jaar, ook die met speciale noden, samen school lopen. Ze zitten niet altijd in dezelfde klas maar ze eten in dezelfde refter, spelen op een gemeenschappelijk schoolplein, houden samen schoolfeest en gaan elke morgen door dezelfde deur naar binnen.

Gezondheid

Op de scholen is veel aandacht voor gezondheid. Iedereen krijgt een eenvoudig maar gezond middagmaal. Alle leerlingen spelen buiten, enkel bij min 30 graden spelen de leerlingen beperkt buiten in de grote domeinen rondom de school. Leerlingen komen, ook door de sneeuw te voet of met de fiets naar de school.

Een bevallingsverlof kan tot 3 jaar duren en de meeste vooral vrouwelijke leerkrachten maken gebruik van die maatregel. Sommigen profiteren van die periode om nog een bijkomende studie aan te vatten.

De leerlingen blijven niet langer op school dan nodig. In het lager onderwijs is dat 19 uren waarvan ze 45 minuten les krijgen en 15 minuten ontspanning na elke les.

De kleuterschool begint op 6 jaar, het lager onderwijs in het jaar dat ze 7 worden. Mede door die late start in het lager onderwijs is het aantal zittenblijvers laag. In de voorschoolse opvang krijgen de kleuters heel veel verantwoordelijkheid en zorg voor het welzijn en de gezondheid.

SISU

 SISU, het Finse woord voor volharding op langere termijn, wordt bewust nagestreefd. Enerzijds dragen de Finnen zorg voor mensen, anderzijds leren ze wat verantwoordelijkheid is, zowel maatschappelijk als voor hun eigen leven. Dat het onderwijs in Finland internationaal zo goed scoort, is een gunstig neveneffect van de Finse manier van ZIJN.

Deze tekst vond ik in die periode in het schriftje van een wijze leerkracht. Ze kreeg het van haar dochter die studeerde in Finland.

To a man who knows nothing,mountains are mountains,waters are waters,trees are trees

But when he has studied and begins to understand more,mountains are no longer mountains,waters are no longer waters,trees are no longer trees

But when he has throughly understood,mountains are again mountains,waters are waters, trees are trees

Aanrader!
SISU
Finland 2003

En toen vloog de deur open, de inspecteur was daar …

Ik herinner mij als gisteren mijn eerste bezoek van een inspecteur. Het was mijn eerste jaar en in het zesde leerjaar. De les: ‘Het soortelijk gewicht”. Ik was al zenuwachtig voor de les op zich. Dit is de moeilijkste wiskundeles van de lagere school. Een toepassing op wat leerlingen leren gedurende de volledige lagere school, de integratie van volume en gewicht. Een les die automatisch leidt tot veel vraagstukken waarbij de wiskundige kennis en de probleemoplossende vaardigheden serieus op de proef gesteld worden, van leerkrachten en leerlingen.

Vorige week was ik in een klas en de leraar koos deze les om bezoek te krijgen van de inspectie, van mij dus. Wat een verschil bij vroeger. Bij mij stak de inspecteur met in zijn kielzog mijn directrice de deur open en daar waren ze. Ik stond vooraan met een weegschaal, liters, water, kiezelstenen, zand, rijst, maïs. Grondstoffen die moesten gewogen en gemeten worden. Nu weten scholen weken op voorhand voor welke les de inspectie zal komen kijken.

Chapeau voor de leraar die deze les vrijwillig koos. Hij had wel veel meer ervaring dan ik toen, hij was een prille zestiger, ik toen een naïeve twintiger.

Ik herinner mij hoe ik beefde nadat de deur terug dicht sloeg. Zo was dat in mijn herinnering. Alle wegen, meten en experimenteren trok ik naar mij toe en ik probeerde toch vol enthousiasme de leerlingen te betrekken bij de les. Het lukte niet zo goed. Dat ik een ladder in mijn kous had en dat de directrice, de ros, de inspecteur daar op wees, deed geen goed aan mijn zelfvertrouwen.

Ik herinner mij de inspecteur als een arrogant iemand. Toen hij vroeg of hij een paar voorbereidingen mocht zien, haalde ik mijn twee dikke mappen boven. Hij schoof ze mij onmiddellijk terug en herhaalde streng ‘Een paar!”. Ik was van mijn melk.

Het verslag viel al bij al mee maar slechter dan een goed verslag zijn de gevoelens die je er aan overhoudt.

In mijn herinnering was de man zeker twee meter groot. Toen ik bijna 25 jaar geleden bij de onderwijsinspectie kwam werken, zag ik zijn naam op de lijst zag staan. Ik vond hem niet, hij werd mij aangewezen. Ik had hem nooit zelf gevonden. Hij leek toen wel op een mens en was amper 1 meter 60 groot. Soms maken we mensen te groot en veel te belangrijk in onze herinnering.  

Na het handtekenen van het verslag kwam ik terug in de klas. De leerlingen verontschuldigden zich. “Juffrouw, we hadden liever veel meer antwoorden kunnen geven op jouw vragen, maar jij was zo nerveus en wij durfden geen fouten maken. Misschien kreeg jij dan een slecht verslag.” Mijn leerlingen hadden duidelijk met mij te doen.

En dit hoorde ik vorige week ook. Een leerkracht van het zesde vertelde dat hij wil dat de leerlingen zo veel als mogelijk antwoordden in het Frans in “een normale les”. Nu de inspecteur er was, durfden zij dat niet en daarom antwoordden ze in het Nederlands. Ze hadden zich ook verontschuldigd na het inspectiebezoek.

Leerlingen zijn zo lief voor hun leerkrachten. Tijdens een gesprek met leerlingen zei een pientere jongen uit het vijfde leerjaar over zijn leerkrachten. “Mevrouw, je moet dat begrijpen, ze zijn allebei nog maar 23 jaar.” Ik weet nog niet wat ik moest begrijpen maar kreeg op slag veel begrip.

Voor mijn leerlingen van toen die nu ook al bijna 50 ers zijn en die een verwarrende eerste uitleg kregen over het soortelijk gewicht, kan ik alleen hopen dat ze het begrijpen, ik was pas 20 jaar.

Mijn eerste inspectiebezoek

De clash der generaties

Dat het niet leuk is, dat leden van haar familie, in wie ze heel veel vertrouwen heeft, via facebook grappen delen rond de klimaat perikelen en de klimaatspijbelaars. Dit is iets waar zij zich hard voor inzet en ze wil er respect voor, zeker van haar naasten.

Ik beken dat ik sommige grappen wel goed vind, anderen zijn er regelrecht over. Humor wel, cynisme neen. Maar het gaat niet over mij, ik krijg een rol als bemiddelaar.  

De gedachten die bij mij blijven hangen, hebben geen betrekking op de polemiek rond het klimaat maar over de clash der generaties. Voor mij staat vast dat wij de jeugd wel kunnen begrijpen maar vaak andere oplossingen zien omdat wij in een andere fase zitten. Het is eigenlijk tegennatuurlijk dat mensen over de generaties heen, volledig akkoord gaan met elkaar.

Geef toe. Oud en jong zijn al heel erg naar elkaar toegegroeid de voorbije jaren. Alle generaties dragen dezelfde kledij. Zowel bij de babykleren als voor 80-jarigen worden jeansvesten verkocht. Dit is nooit gezien. Als wij een kleed van ons mama aantrokken, was het gewoon om op te vallen, om een statement te maken, om carnaval te vieren of driekoningen te lopen. Laatst zag ik een oma en kleindochter samen in de winkel van “Essentiel” dezelfde kleedjes passen. Het kan, het gebeurt.

Oma’s ouders en kinderen trekken ook samen op in de klimaatsmars. Het kan, het gebeurt. Ouders en leerkrachten trekken mee met de leerlingen in de spijbelmarsen. .. ???

Mag ik mij even verplaatsen in mijn 16-jarige zelf?

Was ik gaan betogen? Zeker! Had ik erover gediscussieerd alsof mijn leven er van afhing? Je mag gerust zijn. Had ik graag gehad dat mijn ouders en leerkrachten meeliepen naast mij? Eerlijk, liever niet!

Daar zit het verschil met de jeugd van nu. Zij, maar ik heb geen idee over welk percentage dit gaat, hebben daar geen problemen mee. En als ze die al hebben, dit lees ik dit niet in de krant.

Het is heel normaal dat mensen grappen maken!” Dat probeer ik haar te vertellen. “Als je stevig een punt maakt, krijg je tegenwind“.

Veel liever dan een pak kritisch-cynische opmerkingen, hou ik van een cartoon. “En veel opmerkingen zeggen meer over diegene die ze schrijft dan over de actie an sich”. Dat probeer ik haar nog mee te geven.

Ik vroeg al aan mensen die commentaar hadden op de klimaatmarsen of zij zouden gestaakt hebben toen ze 16 waren. “Ja”, ze antwoordden bevestigend maar zeggen er bij dat ze dat nu niet meer zouden doen. Omdat de leeftijd ons andere opvattingen gaf, dat is de cirkel van het leven.

De spijbelende jeugd is er zeker in geslaagd om het gesprek op gang te trekken, om de nodige aandacht te vragen voor het milieu en dat is goed.

Moeten volwassenen onmiddellijk, hier en nu, op een kar springen en morgen met een oplossing komen? We kennen dat soort oplossingen voldoende, daar zitten we niet op te wachten. We willen een beleid op langere termijn.

Mijn dochter heeft wel gelijk als ze het jammer vindt dat sommige volwassenen het protest gewoon weglachen omdat het de jeugd is die zaken poneert. Daarom wil ik de rollen eens opdraaien.

Op elke leeftijd wil je ernstig genomen worden. Voor mij, als “oudere werknemer” is dat niet anders. Het is niet leuk voor onze jongere collega’s om van ons, anciens te horen dat voorstellen toch niet werken, dat we het allemaal probeerden en dat het geen zin heeft om je in te zetten voor bepaalde veranderingen. Daarom probeer ik dat niet te doen.

Het is evenmin aangenaam om te horen dat leeftijdsgenoten niet meer aan werk geraken of te horen dat die ouderen uit een andere tijd komen, zij niet meer mee zijn en de jeugd alles moet oplossen wat wij verkeerd deden. Het is zeker niet leuk bestempeld te worden als iemand die einde loopbaan is, met de veronderstelling dat mensen die slechts enkele jaren meer moeten werken fin de carrière zijn in de kwalijkste betekenis van het woord. Ik wil nog alle kansen krijgen en ik wil ze allemaal benutten en tot een goed einde brengen.

Neen, ik zou niet graag zien dat mijn kinderen oudere werknemers belachelijk maken op facebook en ik begrijp mijn dochter voor 100 procent als zij niet graag heeft dat iemand van ons grapjes deelt die zij als aanstotend beschouwt.  

Maar humor zorgt voor heel veel relativering en zo lang we kunnen en mogen lachen is er hoop, is er democratie, vrijheid van meningsuiting en plezier. Ik zie mijn generatie liever lachend dan bitter want met cynische oudjes is niemand gediend. 

18 jaar en altijd klaar voor een stevig debat

Move tegen pesten

Move tegen pesten!

Het welbevinden van leerlingen werkt aanstekelijk

Voor velen, ook voor kinderen is de school een vorm van noodzakelijk kwaad. Je moet er door en liefst op een zo kort mogelijke tijd. Eerlijk, ik heb dat zelf nog tegen de kinderen gezegd op het moment dat er geklaagd werd en ik hen niet kon motiveren om met volle goesting naar de school te gaan. “Dan ga je maar omdat je moet!”

Maar het kan ook anders. In de nieuwe manier van doorlichten hebben wij, de onderwijsinspectie, een gesprek met de leerlingen. Het draait toch om hen, niet? Meestal ervaren wij heel veel openheid, eerlijkheid en spontaneïteit van leerlingen en hebben we boeiende gesprekken. De ervaring leert ons dat kinderogen vaak de spiegels van de school zijn.

En, kom je graag naar school? 

De gesprekken met de leerlingen stimuleren ons tot nadenken. Als we peilen naar het welbevinden van leerlingen, onder andere via de vraag of ze graag naar school komen en waarom, krijgen we als antwoord dat het voor de vrienden is, omdat er sportvelden zijn, er muziek op de speelplaats is op vrijdag, ze leuk mogen spelen op school, omdat er een grasveld is … Soms vertellen ze over de toffe juf of meester of de leuke uitstappen. Als leerlingen inspraak hebben over het leven en leren op school, ervaren we een grote fierheid en betrokkenheid voor de school en de medeleerlingen.

Via actief leren naar een hoger welbevinden  

Wat wij minder horen van leerlingen is dat ze graag naar de school komen omdat er zoveel te leren valt. Raar, daarvoor gaan we toch naar school?

Maar die maandagmorgen horen we en het klonk gemeend, dat de leerlingen heel graag naar school komen omdat er zoveel te leren valt. De leerlingen raken niet uitverteld over de vele initiatieven die leerkrachten nemen om hen in hun kracht te zetten en hen meer verantwoordelijkheid te geven in hun leerproces. Ze doen zo graag wiskunde, zeggen ze en iedereen in de klas doet dat graag. “Echt waar, mevrouw!”

Wij blijven positief en kritisch maar aan zoveel spontaan enthousiasme kunnen we niet voorbij. Het schoolteam was zich ernstig gaan bezinnen over klasmanagement en meer inhoudelijke en realistische verrijking van wiskunde. De leerlingen krijgen nu volop kansen tot experimenteren, exploreren en altijd is er een ‘lopend’ probleem dat ze niet onmiddellijk moeten oplossen maar waar ze in onderling overleg tot een oplossing kunnen komen. Ze mogen hun eigen kamer inrichten met een beperkt budget of de berekening maken voor een zwemvijver op school. Als volleerde binnenhuis- of tuinarchitecten gaan ze aan de slag om zo de geleerde wiskundige formules toe te passen. Elkaar helpen mag, moet zelfs. 

“Wiskunde is nu veel gemakkelijker” zegt Eva, “we staan er niet meer alleen voor en als we er niet uit geraken, kunnen we altijd bij de leerkracht terecht.” In de oefenfase mogen ze spiekbriefjes gebruiken en in het begin van de les schrijven ze het doel van de les op bord, om dat op het einde van de les te evalueren. 

Bij de rondgang in de schooltuin tonen ze ons het fit-o-parcours, het bosje en de tuin, hun speelterreinen om te experimenteren in en met de natuur. “Het is hier zo boeiend,” zegt Thomas en wij geloven hem. 

Tijdens het gesprek met leerlingen horen we kritische, gelukkige leerlingen die het elke dag gezond druk hebben op school met experimenteren, overleggen, in groep te werken, uitdagingen aangaan, kortom heel veel te leren en te ontdekken.

Is het niet zalig dat het welbevinden van leerlingen stijgt juist omdat het boeiend is op school? Dat er weinig pestproblemen zijn omdat leerlingen verplicht worden om elkaar te helpen, samen te werken. En omdat ze niet alleen verantwoordelijk zijn voor hun eigen resultaten maar ook delen in succeservaringen van hun klasgenoten? Is het niet fantastisch dat leerlingen zeggen dat wiskunde leuk en gemakkelijk is omdat er zoveel samenwerking is tussen leerkrachten en leerlingen en tussen leerlingen onderling om tot bredere inzichten te komen?

Het is een win-winsituatie als leerlingen met een andere thuistaal de kans krijgen om veel met elkaar te overleggen en zo hun taalvaardigheids- en communicatie skills te verhogen.

Uiteindelijk worden kinderen gelukkig van succeservaringen die ze opdoen binnen hun leerproces. Voor ons is dit een aha-erlebnis. De neveneffecten van boeiend onderwijs zijn legio. Niet het streven naar welbevinden op zich is het doel. Het doel is goed en boeiend onderwijs aanbieden en leerlingen uitdagen om samen te werken en hen op die manier meer welbevinden geven.

Misschien is uitdagend onderwijs geven en leerlingen verplichten om samen te werken wel de beste move tegen pesten.

Meesterschap in onderwijs

Meesterschap

Nooit gedacht dat ik de directrice van de school waar ik mijn eerste interim deed en waarvoor ik later nog enkele jaren zou werken, zou bedanken in een column. Ze was streng voor mij, beginnende leerkracht. Ik startte in het eerste leerjaar in september. Het leerjaar waar ik het meeste schrik voor had omdat we zo veel geleerd hadden over de belangrijkheid van de lees-, reken- en schrijfvoorwaarden in de lerarenopleiding. Ik dacht dat ik al veel wist maar kreeg daar niet de bevestiging van, integendeel. Ze maande de leerlingen aan om recht te zitten en de juiste schrijfhouding aan te nemen. Ze observeerde de lessen, dacht mee en zei vooral wat beter en anders kon. Ze eiste een overzichtelijk bordschema in kleur met een perfect bordschrift en controleerde de klaswanden. Ze wou dat de letterdoos klaar stond voor elke les zodat leerlingen niet verward raakten in de vele letters die ze nog niet kenden. Ze wou dat kinderen de tekst volgden met de vinger om zeker te zijn dat ze de tekst niet van buiten gingen papegaaien. Kortom, ze wou dat ik kinderen ondersteunde in hun aanvankelijk leerproces en hen daartoe de nodige structuur bood. Ze legde onmiddellijk de plooi voor een stiel die ik graag gedaan heb en waarin ik mij jaren later in specialiseerde: de overgang van de kleuterklas naar het eerste leerjaar.

Lesgeven vraagt meesterschap

Leerling

“Lesgeven in de eerste graad is een stiel”, zeg ik tegen leerkrachten van de eerste graad. Bij eentje staat het schreien nader dan het lachen, de andere lijkt meer bereid om mee te gaan in onze vaststellingen. “Het is een meesterschap dat je gaandeweg moet leren, met vallen en opstaan”. Mijn collega is net als ik een ervaringsdeskundige in de eerste graad. We troosten hen door te zeggen dat wij ook op de vingers getikt werden, wij ook moesten bijleren, ook bleven proberen om uiteindelijk tot resultaat te komen. De jonge leerkrachten lachen even. We reflecteren verder over hoe zij de hiaten in de didactische aanpak kunnen bijsturen en hoe zij leerlingen verder kunnen ondersteunen om tot betere resultaten te komen. Het eerste leerjaar is cruciaal in de onderwijscarrière. Het is dat ene moment waarop ze schoolrijp of bijna-schoolrijp zijn, het ideale moment om te leren lezen, rekenen en schrijven. En dat moment is kostbaar want het komt nooit meer terug.

Het proces van schoolrijpheid

Intentioneel leren vraagt inspanningen van de lerende maar ook van de leerkracht. Hij of zij moet de leerinhouden op een overzichtelijke en logische manier aanbrengen, oefenen, een stapje terugzetten, weer een stapje verder gaan, het eens op een andere manier proberen … Voor sommige kinderen lijkt lezen een natuurlijk proces. Ze lezen woorden globaal, uit herkenning maar beschikken ze over alle deelvaardigheden om tot lezen te komen? Slagen ze er visueel en auditief ook in om andere woorden te analyseren en te synthetiseren? Kinderen verdienen dat dit proces systematisch gebeurt met respect voor hun gevoelige leeftijd want niet alle kinderen zijn voldoende schoolrijp in het jaar dat ze zes jaar worden. Sommigen zijn pas enkele maanden later klaar en het schooljaar loopt verder. En er is zoveel dat we moeten ondersteunen tijdens die cruciale maanden: de lees-, reken- en schrijfvaardigheden, het metacognitief bewustzijn, de zelfsturing, de concentratie, uit de egocentriciteit stappen … Sommige kinderen zijn qua mentaliteit en rijpheid nog kleuters in het eerste leerjaar en dit vraagt een specifieke aanpak.

Leren lesgeven in het eerste leerjaar

Op een onderwijsconferentie in Londen hoorde ik dat Schotse studenten van de lerarenopleiding voor het secundair onderwijs stage moesten lopen in het eerste leerjaar omdat ze daar duidelijk konden zien hoe ze het proces van intentioneel leren kunnen ondersteunen. De verschillende fasen van leren zijn duidelijk en je leert er een klas managen. Terwijl het ene kind in het eerste leerjaar erin slaagt om zijn potlood te vinden, heeft de andere een volledig blad oefeningen gemaakt. Terwijl je aan de hele groep een boodschap geeft, moet je aan Lieveke diezelfde boodschap nog eens herhalen want een boodschap voor de volle klas interpreteert zij niet als een persoonlijke boodschap.

Iedereen leraar?

Ik krijg eind september een paniekerige telefoon van de andere kant van het land. Of ik tijd heb om in het weekend langs te komen.  Onze kleinzoon heeft moeilijkheden met lezen en de juf vraagt aan de ouders om te oefenen.

We zoeken een rustig plekje. Papa en mama kijken over de schouders mee, oma noteert elke stap die ik zet want zij vangt hem vaak op na vier uur en ze wil weten hoe ze hem kan helpen. We oefenen de letters. Ze zijn gekend. Visuele discriminatie is geen probleem. Auditieve analyse en synthese lukt moeilijker bij deze jongen die geboren werd eind november. We maken er een spelletje van en oefenen. Dikke duimen verhogen zijn competentiegevoel en hij begrijpt de systematiek van het analyseren van woorden in letters en hoe hij de synthese van letters tot een nieuw woord kan maken. Vooral zijn zelfvertrouwen is gegroeid.  Onze leerling mag buiten skeeleren en ik leg nog even uit aan mijn schoondochter en zoon en aan oma hoe ze hem in de toekomst kunnen helpen. De volgende dag krijg ik telefoon. Het lukt al beter. Hoe ik dat kan? Omdat het mijn stiel is, was.

Te hoge verwachtingen voor ouders

Soms verwachten scholen dat ouders kinderen kunnen ondersteunen in hun leerproces. Enkel ouders die de stielkennis hebben, kunnen kinderen helpen in dat aanvankelijk leerproces. Dit leren moet op school gebeuren, bij de vakmensen. Jammer toch dat leerkrachten zich niet altijd bewust zijn van hun vakmanschap en zich te weinig bewust zijn hoe uniek en waardevol dat is. Meesterschap moet je oefenen en koesteren.

Jezus zit in je hartje en als je drinkt, is zijn hoofdje nat

In de tweede kleuterklas zat onze oudste dochter bij zuster Angèle. Een schat van een mens. Kleuters leerden er bidden, luisterden naar bijbelverhalen en geloofden dat Jezus in hun hartje zat. Een gedachte die mijn dochter veel rust en zelfvertrouwen gaf. ’s Middags aan tafel zei ze plots nadat ze een slok water nam: ”Nu is Jezus zijn hoofdje nat.” We vonden die gedachte zo mooi dat we niet in discussie gingen. De fantasie en de illusie hebben hun waarde en wij wilden voorkomen dat deze grappige en geef toe logisch-creatieve opmerking een koude douche zou worden voor ons gelukkig kind.

Die koude douche kreeg ik gisteravond toen ik naar het programma NACHTWACHT keek op CANVAS. Deelnemers aan het debat waren Othman El Hammouchi, conservatieve moslim, Assita Kanko, die als moslima opgroeide maar het geloof vaarwel zei, en de Antwerpse bisschop Johan Bonny. De vraag waar een antwoord moest op komen was: “Komt God terug?”

Nu weet ik nog niet waar ik mij meest aan ergerde? Aan een jonge filosoof en wiskundige van 19 jaar die het domein ‘luisteren’ in het leergebied Nederlands nooit onder de knie kreeg? Aan de discussie die onmiddellijk leidde tot angst en terreur, de schending van de vrouwenrechten en fundamentalisme? De vele ongenuanceerde uitspraken voor zover dat mogelijk was omdat er gewoon niet geluisterd werd en men door elkaar bleef praten?  Omdat het niet over God maar over dogma’s en wetten ging?

Vrouwenrechten en godsdienst, twee begrippen die heel vaak vloeken. Kanko deed haar best om aan het woord te komen maar werd constant afgeblokt en onderbroken op een onrespectvolle manier. De gespreksleider liet begaan en liet tussendoor filmpjes zien die het gesprek nog gênanter maakten, vooral voor Kanko.

En toen… kwam bisschop Bonny. Een ervaren man, met charisma, die wel kan luisteren, die zinvolle dingen kan zeggen en die het respect kreeg van de andere gasten aan de tafel. Hij mocht wel uitspreken. Omdat hij een man is? Omdat hij ouder en grijzer is? Omdat hij in tegenstelling tot Kanko wel gelovig was? Hij hoefde niet over te gaan tot oneliners om te scoren en dat bracht enigszins rust.  

Uiteindelijk onthoud IK uit het hele gesprek dat vrouwen in de drie godsdiensten die aan bod kwamen, de islam, het katholicisme en het jodendom niet dezelfde rechten hebben als de man.

Godsdienst is een gevoelig thema en een antwoord op de vraag of God terug komt, kreeg ik niet. Uiteindelijk ging dit niet over God maar over de vertaling van de bijbel, thora of koran door mensen, vroeger en nu.

Een beschaafder gesprek had gemogen!

In de kleuterklassen zie ik soms dat de leerkracht een praatstok doorgeeft. Wie de stok heeft, mag spreken en de anderen moeten luisteren. Misschien een tip voor Jan Leyers? Wie weet leidt deze kinderachtige ingreep tot een volwassen gesprek.

En die volwassen gesprekken zijn er nodig want er zijn nog veel gesprekken en vooral daden nodig om de vrouwen even veel rechten te geven als de mannen in de kerk.

Of laat ons Jezus gewoon terug brengen in ons hartje. Dan moest ik mij geen uur ergeren.

Toen Jezus nog in haar hartje zat en zij een rood brilletje droeg.

Art, Hysterie und Solidarität


Een tentoonstelling met zesentwintig nieuwe schilderijen van Gerhard Richter in het Museum Ludwig in Keulen, was een voldoende grote reden om een weekend af te reizen naar de stad aan de Rijn, nu bijna 2 jaar geleden. Pasen naderde en we namen bij het ontbijt vlug een worp  paaseitjes mee aan de hotelreceptie op weg naar het museum.  

Aan de balie tonen we onze tassen… te groot. We maken van de gelegenheid gebruik om ons te ontlasten van alles wat storend kan zijn om optimaal te genieten van ons museumbezoek. Wat mij betreft, inclusief mijn gsm. De dames achter de vestiaire doen hun uiterste best om ons in het Engels te woord te staan. We belonen hen met een paaseitje. Ze weten dit mit Freundlichkeit te appreciëren. Wij laten onze tassen achter.

Via een brede en grote trap bereiken wij het walhalla van kunst.  

De uitgebreide popartcollectie met werk van onder andere Andy Warhol, Lichtenstein en Wesselman doet ons wegdromen naar het MOMA en de prachtige kunstgalerijen in New York. Een reis die wij ook met ons tweeën deden.

En dan sereen, heel traag, onszelf voornemend dat we van elke borsteltrek, elke kleurschakering, elke lijn, elk vlak van het werk van Gerhald Richter zullen genieten, gaan we de brede gang met de prachtige nieuwe werken van de nog levende kunstenaar in. Elk werk, alhoewel abstract bedoeld, heeft een eigen verhaal. Je kan niet ongevoelig blijven bij de kleurenpracht. Tussen de verschillende lagen verf verschijnen figuren, landschappen, dieren die enkel bestaan in het hoofd van de toeschouwer en daardoor voor iedereen verschillend zijn.

Het is opvallend stil in de gangen. Excellentie kan je enkel vieren in stilte.

Verdronken in onze eigen gedachten, onze eigen beelden en fantasie, vertoevend in het genot dat kunst kan bieden, verliezen mijn vriendin en ik elkaar uit het oog. Liep ik daar één uur rond of waren het er twee? Ik weet het niet. Het is niet erg, dit is genieten.

Plots sta ik aan de uitgang. Ik herbekijk daar de film die de oprichting van de tentoonstelling toont. De kwieke 85-jarige artiest denkt naarstig mee over de opbouw van de tentoonstelling om ze te maken tot wat ze is. Mijn vriendin verschijnt nog steeds niet aan de uitgang. Ik ga op zoek en kom ik tot de vaststelling dat ik een groot deel van de oudere werken van Richter miste. De nieuwe wegen die ik insla brengen mij ook bij de permanente collectie; het realisme, het dada-isme, het kubisme, Picasso en zelfs een eenzame Mondriaan.  

Nog steeds is mijn vriendin niet te zien. Ik krijg honger.

Ik ga naar de balie, denkend dat ik over de juiste papieren beschik om mijn handtas en gsm op te halen en om mijn vriendin te bellen.

Er staat een lange rij wachtenden. Slechts één Garderobe Dame bewaakt de winkel. Ik wacht braaf, haal de twee tickets uit mijn zak. Als ik aan de beurt ben, blijken die van onze achtergebleven valiezen in het hotel te zijn. Die Dame von der Gaderobe ist neu, ze kreeg geen paaseitjes van ons, is minder vriendelijk maar wel heel plichtsbewust. Ik krijg mijn handtas NIET!

Een nieuwe museumbezoeker levert intussen zijn jas en tas in. Ik probeer nog te zeggen dat mijn handtas links aan de kapstok hangt, heel duidelijk zichtbaar maar de bezoekers duwen mij opzij en die Dame negeert mij compleet.

Braaf keer ik terug naar het museum en zet mezelf op een strategische plaats. Ik wacht. Mijn vriendin komt niet in beeld.

Na een half uur raap ik al mijn moed samen en probeer het nog eens. Ik oefen mijn (gebroken) Duits en drijf mijn doortastendheid op, terwijl ik de brede trap afdaal. Ik MOET mijn gsm hebben! Ik sta terug in de rij en wacht, klaar voor de aanval.

Die Dame ziet mij, probeert mij opnieuw te negeren en ik vertel mijn verhaal opnieuw, benen lichtjes gespreid zodat niemand mij kan wegduwen. Ik toon haar dat meine Handtasche mit Blumen ‘dort’ hangt. Ze kijkt heel even richting mijn handtas en zegt in het Duits dat zij dat niet mag doen.

Nu heb ik alle respect voor plichtbewuste werknemers maar soms leveren je m’en-foutisten ook goed werk. NU bij voorbeeld. Ik dring verder aan in mijn beste school-Duits. Daar schiet ik niets mee op en hoe meer zij mij negeert, hoe dwingender ik word. Desnoods zal ik krokodillentranen wenen maar ik MOET mijn gsm hebben!

Elk normaal mens, en ik reken mijzelf daar bij, weet dat er veel ergere dingen bestaan dan een vriendin verliezen in een museum. Paniek is hier totaal overbodig maar hoe meer zij probeert van mij af te geraken, hoe meer ik mij inleef in de rol van hysterische museumbezoeker. Waarschijnlijk flapte ik er zelfs een Vlaamse vloek tussen.

Ik herpak mij en probeer nog eens kalm uit te leggen dat ik enkel mijn gsm wil, een blauwe apple en dat alleen IK kan bellen omdat enkel IK  de code van mijn gsm ken. Die Dame houdt voet bij stuk.  

Plots komt er hulp uit een onverwachte hoek. Een Schotse dame volgde het hele tafereel en vraagt die Dame kordaat en dwingend om mij mijn gsm te geven. Een paar andere museumbezoekers steunen haar.  ‘Ik mag dat niet’ jammert die Dame verder.

Uiteindelijk geeft ze toe.  

Ik krijg mijn handtas. Of toch niet. Die Dame blijft mijn handtas vasthouden zodat ik mijn gsm er kan uithalen. Ik bel mijn vriendin en stop mijn gsm braaf terug in mijn gebloemde tas. Alles gaat terug in de garderobe.

Ik bedank mijn supporters in het Engels, het Duits en het Frans.

Solidariteit onder vrouwen bestaat, zeker in een museum en over de grenzen heen. Je hoeft de nood alleen een beetje meer in de verf te zetten. Ook dat is kunst.